221 Weergaven
14 Downloads
Lees verder

Symposia

Eerste ronde symposia

S1
Delen is het nieuwe vermenigvuldigen:  de meerwaarde van datahergebruik  in ouderenonderzoek 

Voorzitters:

S.F. Metzelthin1, R.J.F. Melis2   mede namens de  TOPICS-MDS projectgroep

1  Maastricht University, Maastricht, Nederland
2  Radboudumc, Nijmegen, Nederland

Mede door de vergrijzing staat de langdurige zorg in  Nederland sterk onder druk. In het kader van het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO) (http://www.beteroud.nl) zijn tussen 2008 en 2016 in Nederland  meer dan 75 onderzoeks- en implementatieprojecten  uitgevoerd met als doel de kwaliteit van de zorg voor  ouderen te verbeteren door een samenhangend zorgaanbod te ontwikkelen dat beter afgestemd is op de individuele behoeften van ouderen. Om het effect van de  initiatieven in kaart te brengen is een vragenlijst ontwikkeld: de TOPICS-MDS (http://www.topics-mds.eu). De  vragenlijst bestaat uit gevalideerde onderzoeksvragen  over de lichamelijke en geestelijke gezondheid, kwaliteit  van leven en zorggebruik van ouderen en mantelzorgers. De verzamelde data zijn centraal bijeengebracht in  een landelijke database met (deels) longitudinale gegevens van meer dan 44.000 ouderen en 9000 mantelzorgers. Deze database staat open voor hergebruik. Op dit  moment werken 30 onderzoekers met deze database. Na  een korte toelichting op de TOPICS-MDS database volgen vier speedpresentaties van data hergebruikers. Ze laten zien welke uiteenlopende relevante wetenschappelijke en maatschappelijke vraagstukken met behulp van de  TOPICS-MDS database beantwoord kunnen worden en  hoe data delen een bijdrage levert aan kennisvermeerdering over veroudering en ouderenzorg. Na de speedpresentaties volgt een presentatie met praktische handvatten voor het delen van data. Deze inzichten zijn op  een procesevaluatie gebaseerd die in het kader van het  NPO heeft plaatsgevonden. Tot slot, volgt een discussie  met de zaal over de mogelijkheden en knelpunten met  betrekking tot data delen.

S1.1 
De zorgbelasting van partner-mantelzorgers over  tijd 

J.C. Swinkels1  , T. van Tilburg1  , A. de Boer2  ,  M. Broese van Groenou1
1  VU University Medical Center, Amsterdam, Nederland
2  SCP, Den Haag, Nederland

Achtergrond Partner-mantelzorgers leveren veelal langdurig intensieve zorg en ervaren een hoge zorgbelasting.  Uit voorgaande studies weten we dat vrouwen meer  overbelasting ervaren met mantelzorg voor hun partner  dan mannen. Minder bekend is hoe de ervaren zorgbelasting zich ontwikkelt over de tijd, of die toe/afname  verschilt voor mannen en vrouwen, en in hoeverre die  toe/afname te relateren is aan determinanten van zorgbelasting.

Methode Met behulp van de TOPICS-MDS data zijn de  veranderingen in zorgbelasting van partner-mantelzorgers over een periode van 12 maanden geanalyseerd.  Multilevel regressie analyses, met metingen genest in  respondenten en tijd als interactie variabele zijn toegepast.

Resultaten Uit voorlopige resultaten bleek dat voor zowel vrouwen (N=463) als mannen (N=293) de ervaren zorgbelasting over de tijd toenam (van 41 naar 48  voor vrouwen en van 38 naar 40 voor mannen, op een  schaal van 1 tot 100), terwijl het aantal uren verleende  zorg in diezelfde periode minder werd. Voor vrouwen  nam de overbelasting over de tijd sterker toe dan voor  mannen. Voor zowel mannelijke als vrouwelijke mantelzorgers leidde een slechter lichamelijk functioneren van  de partner, meer uren zorgverlening en het ervaren van  meer problemen in het combineren van de zorgtaken  met andere activiteiten, tot hogere zorgbelasting. Daarnaast leidde voldoening met de zorgtaken tot een lagere zorgbelasting voor mannen, maar niet voor vrouwen.  Conclusies Deze studie liet zien dat voor zowel mannelijke als vrouwelijke partner- mantelzorgers de zorgbelasting toenam over de tijd, terwijl de objectieve man telzorgduur niet toenam. Dit roept de vraag op hoe partner- mantelzorgers nog beter ontlast kunnen worden in de loop van het zorgtraject.

S1.2 
Effectiviteit en kosteneffectiviteit van proactieve,  multidisciplinaire, geïntegreerde zorg voor ouderen  met complexe problemen in de eerste lijn: een  meta-analyse met individuele participant data

J.W. Blom1  , W.B. van den Hout1  , W.P.J. den Elzen1  ,  Y.M. Drewes1  , N. Bleijenberg2  , I.N. Fabbricotti3  ,  A.P.D. Jansen4  , G.I.J.M. Kempen5  , R. Koopmans6  ,  W.M. Looman3  , R.J.F. Melis6  , S.F. Metzelthin5  ,  E.P. Moll van Charante7  , M.E. Muntinga4  ,  M.E. Numans1  , F.G.H. Ruikes6  , S.L.W. Spoorenberg8  ,  T. Stijnen1  , J.J. Suijker6  , N.J. de Wit2  , K. Wynia8  ,  A.W. Wind1  , J. Gussekloo1  .

On behalf of the  TOPICS-MDS research consortium.  1  Leiden University Medical Center, Leiden, Nederland  2  University Medical Center Utrecht, Utrecht, Nederland  3  Erasmus University, Rotterdam, Nederland  4  VU University Medical Center, Amsterdam, Nederland  5  Maastricht University, Maastricht, Nederland  6  Radboudumc, Nijmegen, Nederland  7  Academic Medical Center, Amsterdam, Nederland  8  University Medical Center Groningen, Groningen,  Nederland

Achtergrond In het kader van het Nationaal Programma  Ouderenzorg zijn in Nederland acht vergelijkbare eerstelijnsinterventies voor ouderen met complexe problemen ontwikkeld en onderzocht. Ofschoon de interventies veelbelovend leken te zijn, hebben de studies weinig  tot geen effecten laten zien. Echter was het op basis van  de individuele studies onduidelijk of de interventies in  bepaalde subgroepen patiënten en onder bepaalde omstandigheden wel effectief zouden zijn.

Methode Met behulp van de TOPICS-MDS data is een  individual participant data (IPD) meta-analysis uitgevoerd naar de effectiviteit en kosteneffectiviteit van acht  proactieve, multidisciplinaire, geïntegreerde interventies voor ouderen met complexe problemen in de eerste  lijn. De primaire uitkomstmaat was dagelijks functioneren na 1 jaar (Katz-15). Secundaire uitkomstmaten waren kwaliteit van leven, psychisch welbevinden, sociaal  welbevinden, quality-adjusted life-years, zorggebruik en  kosteneffectiviteit. Er zijn diverse subgroep analyses uitgevoerd met betrekking tot een variatie aan patiënt- en  interventiekarakteristieken.

Resultaten In totaal, zijn 8678 patiënten geïncludeerd  met een gemiddelde leeftijd van 80,5 jaar, waarvan 63%  vrouw was. Er waren geen significante verschillen tussen  de gepoolde interventie- en controlegroep behalve voor  kosten, maar deze waren in het nadeel van de gepoolde interventiegroep (€ 936 per person, 95% CI: € 295  – € 1577). De kans op kosteneffectiviteit was minder  dan 5%. Er waren geen significante subgroep effecten.

Conclusies De onderzochte eerstelijnsinterventies voor  ouderen met complexe problemen bleken na 1 jaar niet  (kosten-) effectief te zijn.

S1.3
Dé kwetsbare oudere bestaat niet – profielen van  kwetsbaarheid met latente klasse analyse 

W.M. Looman1  , I.N. Fabbricotti1  , J.W. Blom2  ,  A.P.D. Jansen3  , J.E. Lutomski4  , S.F. Metzelthin5  ,  R. Huijsman1   & TOPICS-MDS consortium
1  Erasmus Universiteit, Rotterdam, Nederland
2  Leiden University Medical Center, Leiden, Nederland
3  VU Medical Center, Amsterdam, Nederland
4  University College York, York, Verenigd Koningkrijk
5  Maastricht University, Maastricht, Nederland

Achtergrond Professionals, onderzoekers en beleidmakers zijn het eens over de complexiteit en negatieve gevolgen van kwetsbaarheid. Zij hebben echter nog geen  consensus bereikt over de conceptualisering van kwetsbaarheid, waardoor veel heterogeniteit bestaat tussen  kwetsbare ouderen. Het doel van dit onderzoek is om  profielen van kwetsbaarheid te onderscheiden op basis  van fysieke, mentale, sociale en cognitieve dimensies  van kwetsbaarheid.

Methode Dit onderzoek was een secundaire data-analyse van TOPICS-MDS data waarvoor ouderen van 60  jaar en ouder zijn geselecteerd (n=43.704). De volgende  variabelen zijn meegenomen: ervaren gezondheid, cognitief functioneren, sociaal functioneren, mentale gezondheid, multimorbiditeit en functionele beperkingen.  Met latente klasse analyse werden de ouderen ingedeeld  in profielen van kwetsbaarheid die vervolgens besproken zijn in een focusgroep met ouderen.

Resultaten Op basis van de TOPICS-MDS data zijn zes  profielen van kwetsbare ouderen onderscheiden. Er zijn  profielen gebaseerd op enkele dimensies zoals fysiek en  mentaal kwetsbaren, maar er zijn ook hybride vormen.  Het effect van sociaal-demografische variabelen, zoals  geslacht en leeftijd, op de zes profielen is beperkt.

Conclusies Ons onderzoek biedt een empirische basis  voor zinvolle profilering van kwetsbare ouderen. Dé  kwetsbare oudere bestaat niet. Kwetsbaarheid dient geconceptualiseerd te worden op basis van (de combinatie)  van dimensies in plaats van de mate van kwetsbaarheid.  Implicatie van dit onderzoek is dat de zorg voor kwetsbare ouderen afgestemd dient te worden op de profielen  van kwetsbaarheid. Daarnaast zou bij evaluatieonderzoek naar zorginterventies de heterogeniteit van kwetsbare ouderen meer onderkend kunnen worden.

S1.4 
Ouderen meer risico op kwetsbaarheid na bezoek aan  de huisartsenpost 

A. Bloemhoff1  , B.M. Smulders2  ,  H.A.M. van den Berg1  , N. Koopman3  , R. Akkermans4  ,  Y. Schoon4  , S.A.A. Berben1
1  Acute Zorgregio Oost, Nijmegen, Nederland
2  Huisartsenpost Gelderse Vallei, Ede, Nederland
3  Zorgbelang Gelderland, Arnhem, Nederland
4  Radboudumc, Nijmegen, Nederland

Achtergrond Ouderen gaan vaak naar de huisartsenpost  (HAP): jaarlijks zo’n 178 per 1000 inwoners. De acute  zorg van de HAP is vooral gericht op een lichamelijke beoordeling en behandeling van de klacht. De mate  van kwetsbaarheid van de oudere, op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak, is zeer beperkt tot niet in beeld.  Kwetsbare ouderen kunnen daardoor minder adequaat  behandeld of verwezen worden naar de spoedeisende  hulp, en continuïteit richting eigen huisarts of wijkteam  ontbreekt.

Methode Een exploratief, beschrijvend design op basis  van secundaire analyse van de TOPICS-MDS database.  Er zijn 32.149 ouderen (≥65 jaar) geïncludeerd, die niet  in een verpleeghuis woonden, uit 39 studies in de periode 2009–2014. De ouderen met en zonder contact met  de HAP (consult of visite) in de afgelopen 12 maanden  zijn vergeleken op zorggebruik en kwetsbaarheid. Voor  correctie voor clustereffecten is gebruik gemaakt van  multilevelanalyse.

Resultaten Ouderen met HAP-contact hadden significant  vaker een ziekenhuisopname gehad (OR=2,9, 95% betrouwbaarheidsinterval 2,7–3,1) en thuiszorg (OR=1,6,  95% betrouwbaarheidsinterval 1,5–1,7). Gecorrigeerd  voor ziekenhuisopname, sekse, leeftijd en sociaaleconomische status waren ouderen met HAP-contact significant vaker kwetsbaar dan ouderen zonder HAP-contact  (OR=1,7, 95% betrouwbaarheidsinterval 1,6–1,8). Die  significant grotere kwetsbaarheid bestond op alle subdomeinen: meer morbiditeit, psychische ongezondheid,  beperkt in dagelijks en sociaal functioneren en slechtere  ervaren gezondheid en kwaliteit van leven.

Conclusies Ouderen die HAP-contact hadden waren vaker kwetsbaar op lichamelijk, functioneel, psychisch én  sociaal vlak. Bij ouderen die contact met de HAP hebben is alertheid wenselijk met betrekking tot hun kwetsbaarheid en passende behandeling.

S1.5 
Zorg voor Delen- een proces evaluatie naar het data  delen binnen TOPICS-MDS

F.H. Leeuwis1  , J. Beuken2  , M. Muntinga3  , J.M.  Cramm4  , J.T. van der Steen3
1  Radboudumc, Nijmegen, Nederland
2  Universiteit Maastricht, Maastricht, Nederland
3  VUMC, Amsterdam, Nederland
4  Erasmus Universiteit, Rotterdam, Nederland

Achtergrond Hergebruik van onderzoeksgegevens wordt  steeds meer aanbevolen en gestimuleerd. In de praktijk zien we echter dat data delen nog geen standaard is.  Daarnaast geven onderzoekers aan faciliteiten en praktische handvatten te missen voor het delen van data. Met  als doel dergelijke handvatten te kunnen formuleren is  het proces van data delen binnen TOPICS-MDS geëvalueerd.

Methode Betrokkenen bij het aanleveren, beheren en  hergebruiken van de data (N=21) werden geïnterviewd.  De interviews werden uitgeschreven, gecodeerd en geanalyseerd. Uit de analyses zijn adviezen over data delen  gegenereerd en deze adviezen zijn getoetst in een groep  experts en ervaringsdeskundigen op het gebied van data  delen (N=25).

Resultaten Goede faciliteiten zijn essentieel voor optimaal data delen. Onduidelijkheid over o. a. doel van  hergebruik, controleprocessen en verwachtingen is een  belangrijke barrière voor goed data delen. De voordelen van data delen worden onderschreven door onderzoekers. Dit draagvlak voor data delen resulteert soms,  maar niet altijd, in de motivatie om zelf als onderzoeker  deel te nemen aan het proces van data delen. Tenslotte  blijkt dat het openstellen van een database niet tot massaal hergebruik leidt. De resultaten zijn omgezet in een  ‘checklist data delen’ die online beschikbaar is.

Conclusies Onderzoekers zijn voor het principe van data  delen. Echter, goede facilitering en wegnemen van praktische bezwaren is nodig om dit principe in de praktijk  te brengen. De checklist data delen brengt in kaart waar  onderzoekers rekening mee moeten houden als zij data  willen gaan delen.

S2 
D-SCOPE: Detectie van multidimensionale  kwetsbaarheid en sterktes bij thuiswonende  ouderen 

Voorzitter:  G.A.R. Zijlstra
Maastricht University, Maastricht, Nederland

Met het stijgen van de leeftijd, neemt ook het risico op  kwetsbaarheid toe. Waar kwetsbaarheid eerder vooral  vanuit fysiek perspectief werd bekeken, beschouwt een  toenemend aantal onderzoekers kwetsbaarheid als een multidimensionaal concept, waarbij zowel cognitieve,  omgevings-, fysieke, sociale als psychische aspecten een  rol spelen. Het D-SCOPE project, dat wordt uitgevoerd  door een consortium van de Universiteit Antwerpen,  Vrije Universiteit Brussel, Hogeschool Gent, Katholieke  Universiteit Leuven en Maastricht University, richt zich  op de detectie van multidimensionale kwetsbaarheid én  op het detecteren van sterktes die ouderen mogelijk nog  hebben, en die als ‘balancerende factor’ kunnen dienen  tegen deze multidimensionale kwetsbaarheid.

In dit symposium worden bevindingen uit drie deelprojecten binnen D-SCOPE gepresenteerd. De eerste  presentatie geeft inzicht in de link tussen het relatief  nieuwe concept cognitieve kwetsbaarheid en depressieve symptomen. In de tweede presentatie zullen factoren die psychische kwetsbaarheid beïnvloeden worden  toegelicht. De derde en laatste presentatie richt zich op  sterktes die kwetsbare ouderen nog kunnen hebben, en  welke van belang zijn om vanuit een positieve invalshoek te interveniëren. Deelnemers aan deze sessie krijgen inzicht in aspecten die van belang zijn bij de detectie  van kwetsbaarheid, alsook in de complexiteit van kwetsbaarheid met daarbij ook oog voor sterktes.

S2.1 
Depressieve symptomen en cognitieve kwetsbaarheid: twee kanten van eenzelfde medaille? 

E.E. De Roeck1  , Peter Paul De Deyn2  , Eva Dierckx1  ,  Sebastiaan Engelborghs2  , D-SCOPE consortium
1  Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België
2   UZ Antwerpen, Antwerpen, België

Achtergrond Zowel cognitieve kwetsbaarheid als depressie worden in de literatuur beschreven als risicofactoren  voor het ontwikkelen van een dementie. Daarbij worden  cognitieve klachten (=cognitieve kwetsbaarheid) vaak  aangezien als een symptoom van depressie. Dit doet  ons afvragen of toegenomen depressieve symptomen bij  oudere volwassenen steeds samengaat met cognitieve  klachten. We stellen ons daarbij voor deze studie ook de  vraag hoe mensen met depressieve symptomen zonder  en met cognitieve kwetsbaarheid van elkaar verschillen  op vlak van cognitie en kwetsbaarheidsprofiel.

Methode Voor deze studie werd de „Comprehensive  Frailty Assessment Instrument Plus“ (CFAI-Plus), de  „Montreal Cognitive Assessment“ (MoCA) en de „Geriatrische Depressie Schaal“ (GDS) afgenomen bij 404  thuiswonende 60 plussers. Op basis van de score op  de CFAI-Plus cognitief domein (grensscore 10,9/25)  en GDS (grensscore 11/30) werden vier groepen gevormd: (1) gecombineerde groep (cognitief kwetsbaar  en depressieve symptomen), (2) depressieve symptomen groep, (3) cognitief kwetsbare groep en (4) beide  laag groep.

Resultaten 63%, 14%, 13% en 10% van de deelnemers behoort respectievelijk tot de beide laag, cognitief  kwetsbare, depressieve symptomen en gecombineerde  groep. De cognitief kwetsbare groep heeft de hoogste  gemiddelde leeftijd en laagste MoCA scores. De depressieve groep heeft de hoogste scores op sociale en omgevingskwetsbaarheid. De gecombineerde groep heeft de  hoogste scores op fysieke en psychische kwetsbaarheid.

Conclusie Depressieve symptomen gaan niet altijd gepaard met cognitieve kwetsbaarheid. We zien qua cognitief profiel geen verschil tussen de depressieve symptomen en cognitief kwetsbare groep. Een combinatie van  cognitieve kwetsbaarheid en depressieve symptomen  geef echter wel een verhoogd risico op totale, fysieke en  psychische kwetsbaarheid.

S2.2 
Psychische kwetsbaarheid bij ouderen: ‘hoop doet  leven!’ 

L. Hoeyberghs1  , N. De Witte 2
1  Hogeschool Gent, Gent, België
²Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België

Achtergrond Binnen onderzoek naar kwetsbaarheid is  tot nu toe weinig aandacht geschonken aan de innerlijke  gevoelswereld en in het bijzonder psychische kwetsbaarheid van thuiswonende ouderen. In deze studie wordt  onderzocht of er een verband bestaat tussen psychische  kwetsbaarheid, levenstevredenheid, gevoelens van verveling en hopeloosheid.

Methode Er werd gebruik gemaakt van data van de Belgian Ageing Studies, waarin meer dan 80.000 thuiswonende ouderen uit ruim 180 gemeenten in Vlaanderen  bevraagd zijn aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst en methode. Kwetsbaarheid wordt gemeten met het Comprehensive Frailty Assessment Instrument. Met de recentelijk toegevoegde ‘Geriatrische  Depressie Schaal’ (GDS) wordt onder andere gepeild  naar levenstevredenheid, gevoelens van verveling en  gevoelens van hopeloosheid. Psychische kwetsbaarheid  werd ingedeeld in drie klassen: laag, midden en hoog  psychisch kwetsbaar. Vervolgens werden bivariate analyses en ‘Chi-squared Automatic Interaction Detector’  (CHAID)-analyses uitgevoerd.

Resultaten 28,7% hoog psychisch kwetsbaren is ontevreden over het leven, 45,3% kampt vaak met gevoelens  van verveling en 49% heeft gevoelens van hopeloosheid. CHAID-analyses met als afhankelijke variabele  hoge psychische kwetsbaarheid (9%) toonden de twee  belangrijkste voorspellers aan. Indien de vraag inzake  gevoelens van hopeloosheid positief beantwoord werd,  steeg het aantal hoog psychisch kwetsbaren tot 37%.  Wanneer daarna ook nog de vraag over levenstevredenheid negatief beantwoord werd, steeg dit percentage tot  68,4%.

Conclusie De CHAID-analyse toont aan dat met twee  vragen van de GDS, te weten hopeloosheid en levenstevredenheid, 68,4% van de hoog psychisch kwetsbare ouderen gedetecteerd kunnen worden. Deze bevinding is zeer bruikbaar in het kader van het grootschalig  pre-screenen van psychische kwetsbaarheid bij thuiswonende ouderen.

S2.3 
Welke sterktes hebben kwetsbare ouderen met een  hoge kwaliteit van leven, vergeleken met kwetsbare  ouderen met een lage kwaliteit van leven? 

A. van der Vorst1  , G.A.R. Zijlstra1  , N. De Witte2  ,  J.M.G.A. Schols1  , G.I.J.M. Kempen1  , D-SCOPE  consortium
1  Maastricht University, Maastricht, Nederland
2  Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België

Achtergrond In het onderzoek naar kwetsbaarheid wordt  veelal gefocust op tekorten en het risico op negatieve  uitkomsten zoals ziekenhuisopname, institutionalisering en beperkingen. Echter, er zijn ook kwetsbare ouderen die positieve uitkomsten rapporteren, zoals een  hoge kwaliteit van leven. Om preventief op meer positieve wijze te kunnen interveniëren, is het van belang  om te onderzoeken welke sterktes bijdragen aan een  hoge kwaliteit van leven bij kwetsbare ouderen.

Methode In een cross-sectioneel, mixed-methods onderzoek zijn kwetsbare ouderen met een hoge (n=16)  en lage kwaliteit van leven (n=18) geïnterviewd. Kwetsbaarheid is gemeten met het Comprehensive Frailty Assessment Instrument, met de domeinen fysieke, omgevings-, psychische en sociale kwetsbaarheid. Tevens zijn  kwaliteit van leven, zingeving en regie gemeten. In een  kwalitatief interview was aandacht voor de betekenis  van kwaliteit van leven en het behouden ervan ondanks  eventuele kwetsbaarheid.

Resultaten Kwetsbare ouderen met een hoge kwaliteit  van leven waren ouder (gemiddeld 83,0 tegenover 78,1,  p <.05), ervaarden in mindere mate psychische kwetsbaarheid (p<.001) en rapporteerden een hogere zingeving op een schaal van 0–10 (gemiddeld 8,4 tegenover  6,9, p <.05) vergeleken met de ouderen met een lage  kwaliteit van leven. De kwalitatieve data liet daarnaast  zien dat ouderen met een hoge kwaliteit van leven zich  beter konden aanpassen, meer dingen in het vooruitzicht hadden, meer activiteiten ondernamen, en meer  tevreden waren met hun sociale netwerk.

Conclusie Deze exploratieve studie laat zien dat sterktes  als coping en het ondernemen van activiteiten mogelijk  bijdragen aan het behoud van kwaliteit van leven op oudere leeftijd ondanks kwetsbaarheid.

S3 
Transitie naar cliënt- en mantelzorger-aangestuurde geriatrische revalidatiezorg 

Voorzitter:  T.J.E.M. Bakker  Stichting Wetenschap Balans, Rotterdam, Nederland

Jaarlijks ondergaan 45.000 ouderen een behandeling  binnen geriatrische revalidatiezorg (GRZ). In GRZ gaat  het om een combinatie van revalidatiezorg en ouderengeneeskunde en moet rekening gehouden worden met  een individueel variërende complexiteit van herstel. Het  gaat hierbij bijvoorbeeld om mate van veerkracht, multimorbiditeit, multi-functie problematiek, social supportsysteem en leefcontext. Tijdens revalidatie bereiden  cliënten zich voor op terugkeer naar huis, op het meest  optimale functieniveau. Hiervoor is het belangrijk dat  wensen en behoeften van cliënten centraal staan bij  het stellen van revalidatiedoelen. Het eerste onderzoek  in dit symposium heeft verkend in hoeverre sprake is  van dergelijke Shared Decision Making binnen huidige  GRZ. Het tweede onderzoek heeft met een longitudinale  studie gekeken naar de effecten van een innovatief, flexibel aanbod van GRZ dat op maat is gesneden voor de  cliënt door de cliënt centraal te stellen. Het derde onderzoek speelt in op het gebrek aan een benchmark binnen  GRZ, door onderzoek naar het effect van het toepassen  van een basisset meetinstrumenten om het functioneren  in kaart te brengen. Al deze ontwikkelingen dragen bij  aan een beoogde kantel in GRZ, waarbij wij ons richten op de cliënt journey en een transitie en inhoudelijke  ontwikkeling van GRZ primair vanuit cliënt- en mantelzorgerperspectief. Waar hebben cliënten en mantelzorgers op welk moment in de revalidatie zelf behoefte aan?  Hoe kunnen professionals en organisaties dit leidend  maken in het geriatrisch revalidatieproces? De ambitie  van de betrokkenen in dit symposium is deze vragen samen met cliënten en mantelzorgers te beantwoorden en  de lessen te implementeren in een vernieuwde GRZ.

S3.1 
Gedeelde besluitvorming binnen geriatrische  revalidatiezorg: ervaringen van cliënten, mantelzorgers en medewerkers

C. Ziylan1  , A.J.B.M. de Vos2  , A. van Dam1  ,  T.J.E.M. Bakker2
1  Hogeschool Rotterdam, Rotterdam, Nederland
2  Stichting Wetenschap Balans, Rotterdam, Nederland

Achtergrond Opname in het ziekenhuis en daarna op  een revalidatieafdeling heeft voor ouderen vaak een grote impact – afhankelijk van conditie en functionaliteit  voor de één meer dan de ander. Daarom moeten binnen de geriatrische revalidatiezorg (GRZ) de wensen en  behoeften van cliënten centraal staan bij het stellen van revalidatiedoelen. De vraag is in hoeverre sprake is van  dergelijke Shared Decision Making (SDM) binnen GRZ.

Methode Eerst zijn 85 verkennende enquêtes afgenomen bij cliënten, mantelzorgers, medewerkers en teamleiders op de geriatrische revalidatie afdelingen van drie  verpleeghuizen. Vervolgens zijn in dezelfde doelgroep  22 verdiepende interviews afgenomen. De kwantitatieve  en kwalitatieve analyse van deze data leidde tot inzicht  in de ervaringen met SDM binnen GRZ.

Resultaten Cliënten missen een persoonlijke benadering en vinden dat de communicatie met hen beter kan.  Ze ervaren weinig inbreng in hun revalidatieproces en  bij het opstellen van hersteldoelen. Ze vinden ook dat  te weinig rekening wordt gehouden met de impact van  het ziekteproces en andere belangrijke gebeurtenissen in  hun leven. Medewerkers en teamleiders gaven aan hier  wel rekening mee te houden. Daarnaast is er onvoldoende voorbereiding van cliënten en mantelzorgers op de  terugkeer naar huis.

Conclusies Medewerkers en teamleiders zouden zich  meer bewust moeten worden van de onvervulde behoeftes van cliënten en mantelzorgers. Ze zouden het revalidatieproces moeten aanpassen aan de diversiteit van  de behoeftes van cliënten en mantelzorgers, door met  name de cliënten centraal te stellen. (Bij)scholing van  GRZ-medewerkers rondom GRZ-cliënten en hun aandoeningen en de daaraan gekoppelde competenties kan  bijdragen aan een beter revalidatieproces.

S3.2
Geleerde lessen uit de “proeftuinen geriatrische  revalidatie” 

M.S. Holstege1  , M.A.A. Caljouw2  , R. van Balen2  ,  W.P. Achterberg2
1  Evean, Purmerend, Nederland
2  Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden,  Nederland

Achtergrond Geriatrische revalidatiezorg (GRZ) is organisatorisch een complex proces dat lijdt onder de versnippering van de zorg als gevolg van vele verschillende  betrokken medisch-specialisten, professionals en instellingen. Het nationale programma ‘Proeftuinen GRZ’ is  geïnitieerd om de kwaliteit van geriatrische revalidatie  te verbeteren door middel van (door-)ontwikkeling van  ketenstructuur, behandel- en zorgprocessen in de GRZ.

Methode De SINGER studie is een prospectieve longitudinale studie uitgevoerd tijdens de implementatie van de  “proeftuinen GRZ”. 16 verpleeghuizen en 1075 cliënten  zijn geïncludeerd in de studie. Voor de procesevaluatie  hebben professionals, cliënten en mantelzorgers, gedurende drie opeenvolgende cohorten, vier kwaliteits-domeinen geëvalueerd (afstemming met cliënt-behoeften,  zorgcoördinatie, teamsamenwerking en zorgkwaliteit).  De effectevaluatie beschrijft de uitkomst succesvol revalideren 1 jaar na de start van de “proeftuinen” in vergelijking met het cohort bij start van de “proeftuinen”.  Succesvolle GRZ werd gedefinieerd als onafhankelijkheid in algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL)  en ontslag naar huis na een korte opnameduur in het  verpleeghuis.

Resultaten Tijdens de proeftuinen GRZ werden kleine  positieve proceseffecten gevonden in teamsamenwerking. Minder verbeteringen werden gevonden op: afstemming met cliënt-behoeften, zorgcoördinatie en de  zorgkwaliteit. Eén jaar na de uitvoering van de proeftuinen, was er 12% meer zelfstandigheid in ADL bij ontslag. De mate van succesvolle revalidatie was alleen significant verbeterd bij cliënten met een heupfractuur.

Conclusies De inspanningen van de proeftuinen GRZ  hebben een positieve beweging voortgebracht in het  verbeteren van de kwaliteit van GRZ. De resultaten geven handvatten voor de verdere doorontwikkeling van  GRZ.

S3.3 
Transparantie in de geriatrische revalidatie

R. van Balen, M.A.A. Caljouw, W.P. Achterberg

Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden, Nederland

Achtergrond Geriatrische revalidatie in Nederland ontwikkelt zich snel. Per jaar worden ongeveer 45.000  kwetsbare ouderen, merendeels direct aansluitend aan  een ziekenhuisopname, opgenomen voor gemiddeld  45 dagen, waarna bijna 80% naar huis wordt ontslagen.  Het is echter onduidelijk of deze cliënten ook daadwerkelijk in functioneren vooruitgaan. Er is geen overeenstemming in het gebruik van meetinstrumenten om het  functioneren in kaart te brengen. Daardoor is benchmark tussen instellingen, bepalen van best practices en  wetenschappelijk onderzoek naar voorspellende en beïnvloedende factoren niet goed mogelijk.

Methode Negen instellingen, die deelnemen aan het  Universitair Netwerk voor de Care Zuid Holland (UNCZH), implementeren het gebruik van een basisset meetinstrumenten om het functioneren van de cliënt in kaart  te brengen bij opname en ontslag. Het betreft de Canadian Occupational Performance Measure, de Utrechtse  Schaal voor Evaluatie Revalidatie, de premorbide Barthel Index, de Neuro Psychiatric Inventory, de Functional Comorbidity Index en de EuroQol 5D-5 L. De metingen worden gebruikt om multidisciplinair, samen  met de cliënt, de revalidatiedoelen te formuleren en te  evalueren. Het gebruik wordt ondersteund door het gebruik van een ICT-applicatie gekoppeld aan het elektronische cliëntendossier. Vervolgens worden de meetgegevens geëxporteerd naar een gezamenlijk bestand.

Resultaten In 2017 wordt de implementatie van de meetinstrumenten en de koppeling van de ICT applicatie aan  de diverse elektronische cliëntendossiers gerealiseerd.

Conclusies Met het gebruik van een basisset meetinstrumenten, eerst binnen het UNC-ZH maar later mogelijk  ook buiten dit netwerk, wordt samen met de cliënt een  reuzenstap gezet in de ontwikkeling van de geriatrische  revalidatie en het inzichtelijk maken van de resultaten.

S4
Kunst en zorg met ouderen: Een studie naar  culturele interventies, langdurige zorg en  positieve gezondheid 

Voorzitter:  C. van Campen

Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland

Kunstenaars zijn steeds meer actief in de zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen. Er is in toenemende  mate erkenning voor de waarde van hun bijdrage aan de  gezondheid en het welbevinden van kwetsbare mensen.  Er ontbreekt echter een overzicht van de activiteiten en  effecten van deze ‘culturele interventies’. De kennis hierover uit onderzoek, beleid en de praktijk is onvolledig  en versnipperd.  In het onderzoek Kunst en Zorg brachten we die kennis in kaart. Op verzoek van de ministeries van OCW en VWS heeft ZonMw opdracht gegeven voor deze studie  waarvan de resultaten in september gepubliceerd zullen  worden. In de eerste presentatie zal een beeld gegeven  worden van de internationaal beschikbare wetenschappelijke kennis over effecten van culturele interventies op  de positieve gezondheid van ouderen die langdurig zorg  ontvangen. In de tweede presentatie staat een analyse  centraal van de huidige praktijk van kunstprojecten in  de zorg en het beleid daaromtrent. In de derde presentatie zullen het proces en de uitkomsten van de stakeholdersparticipatie besproken worden in het licht van het  programma Lang Leve Kunst. Tot slot zullen we met de  deelnemers aan de sessie in discussie gaan over de betekenis van deze resultaten voor de praktijk en kansrijke  onderzoeks- en ontwikkelrichtingen voor kunstprojecten in de langdurige zorg.

S4.1
Effecten van kunst op positieve gezondheid van  zorgbehoevende ouderen: Resultaten van het  systematisch literatuur review 

F. Bakker, C. Smits, B. van Meerveld

Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland

Achtergrond De kennis over effecten van kunst op gezondheid en welzijn lijkt spaarzaam en versnipperd.  Wat is bekend over de effecten van cultuurinterventies  op positieve gezondheid van zorgbehoevende ouderen?  Doel van het systematisch literatuurreview was het in  kaart brengen van beschikbaar nationaal en internationaal onderzoek naar de effecten van cultuurinterventies  in de langdurige zorg op positieve gezondheid.

Methode Systematisch en integratief literatuuronderzoek van publicaties in internationale databases zoals  PubMed, CINAHL, PsychInfo, ERIC, Web of Science,  Google Scholar en de landelijke grijze literatuur zoals  LKCA en HBO Kennisbank aan de hand van uit het  conceptueel raamwerk afgeleide inclusie en exclusiecriteria.

Resultaten Het review laat zien dat het onderzoek naar  kunstinterventies in de zorg zich relatief vaak richt op  ouderen met dementie en mensen met psychische of  neurologische klachten en veel minder op personen met  lichamelijke en verstandelijke beperkingen. De aspecten mentaal welbevinden, kwaliteit van leven en sociaal  maatschappelijk participeren van het concept positieve  gezondheid zijn het meest onderzocht; de aspecten zingeving, lichaamsfuncties en dagelijks functioneren veel  minder. Veel onderzoek is kwalitatief van aard, over een  relatief korte interventieperiode en met kleine aantallen  deelnemers. We vonden weinig experimentele studies  met controlegroepen.

Conclusies Op basis van de ‘kaart’ van effectonderzoeken worden in de internationale ontwikkelingen aanduidingen gegeven van kansrijke onderzoeksrichtingen  op het gebied van kunst en zorg.

S4.2
Het beleid en de praktijk van kunst in de zorg  in kaart: Resultaten van de mapping study 

S. van Grinsven, N. de Groot, J.W van de Maat,  D. Zwier

Movisie, Utrecht, Nederland

Achtergrond Er lijkt een toename in kunstprojecten in  de zorg voor ouderen en andere langdurige zorgontvangers in Nederland. Het programma Lang Leve Kunst is  daar een voorbeeld van. Het beleid en de praktijk lijkt  versnipperd en er is weinig zicht op wat er gebeurt rondom kunst in de zorg in Nederland. Doel is dit door middel van een mapping study van de huidige praktijk en  het beleid met betrekking tot culturele interventies in de  zorg in Nederland systematisch in kaart te brengen.

Methode In de mapping study is een mixed methods  approach van kwalitatieve benaderingen gevolgd bestaande uit desk research naar beleidsdocumenten, telefonische interviews met sleutelfiguren en focusgroepgesprekken met beleidsmakers, professionals en patiënten.

Resultaten De uitkomsten tonen ten aanzien van beleid  dat initiatiefnemers meestal culturele instellingen zijn  en de aanbieders meestal zorginstellingen. Projecten  worden vaak gefinancierd door particuliere cultuur- en  ouderenfondsen en minder vaak door gemeentes of provincies. In de praktijk zijn projecten vrijwel altijd incidenteel, zelden structureel. De meeste projecten zijn te  vinden in de ouderenzorg en vooral in de dementiezorg.   Succesvolle samenwerkingen tussen de cultuur- en zorgprofessionals ontstaan vaak op de werkvloer en mede op  initiatief van gedreven cultuurmanagers in zorginstellingen.

Conclusies Op basis van de aangetroffen stand van zaken  beschrijven we waar de belangrijkste kansen liggen voor  het aanbieden van culturele interventies en wat daarbij  in het beleid en de praktijk de belangrijkste bevorderende en belemmerende factoren zijn.

S4.3
Draagvlak voor kunst in de zorg: Resultaten van de  stakeholdersparticipatie en het programma Lang  Leve Kunst 

W. Rosenboom, K. Laarakker, H. d’Ancona

Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst/LKCA, Utrecht, Nederland

Achtergrond Stakeholdersparticipatie is een vorm van  raadpleging van de belangrijke partijen in het werkveld.  Naast wetenschappelijke evidentie en praktische implementatie nam stakeholdersparticipatie gedurende het  hele onderzoeksproces een belangrijke plaats in het onderzoek. Daarbij werd voortgebouwd op de kennis en  ervaring van het programma Lang Leve Kunst. Doel  was het peilen en vaststellen van de wensen en behoeften van zowel de cultuur- als de zorgsector.

Methode Vanaf het eerste ontwerp van de studie, gedurende het onderzoek tot vlak voor de afronding van de  rapportage, zijn op gezette momenten stakeholders uit  de praktijk van de zorg, uit de praktijk van kunst en cultuur, vanuit kennisorganisaties, opleidingen en universiteiten en vanuit lokaal en landelijke beleid bij elkaar  gekomen om de opzet, de voortgang en de uitkomsten  van het onderzoek te bespreken, te valideren en te valoriseren.

Resultaten Het samenwerkingsprogramma Lang Leve  Kunst publiceerde eind 2016 de opbrengsten van dit  programma, waarin naast private en publieke fondsen  en LKCA ook de ministeries van OCW en VWS participeerden. Uit de stakeholdersbijeenkomsten blijkt dat  er meer draagvlak is in de kunst en cultuursector dan  in de zorgsector voor kunstprojecten in de zorg. In een  aantal gemeenten zijn samenwerkingsverbanden tussen  gemeente, zorgaanbieders en cultuuraanbieders, die als  voorbeeld kunnen dienen.

Conclusies Door stakeholders uit de verschillende sectoren vanaf het begin van het onderzoek erbij te betrekken  kan een koers en visie ontwikkeld worden met draagvlak in de kunstsector en in de zorgsector. De resultaten van het gehele onderzoek zullen vertaald worden in  aanbevelingen voor een kennisagenda voor onderzoek,  beleid en praktijk.

S5
Het gebruik van een groene omgeving bij de zorg  voor ouderen met dementie 

Voorzitter:  H. Verbeek  Maastricht University, Maastricht, Nederland

Onderzoek toont aan dat de fysieke omgeving, in het  bijzonder de inzet van groen en natuur, invloed kan  hebben op het welzijn van mensen met dementie. Er  zijn diverse innovatieve voorbeelden binnen de langdurige zorg waarin gebruik gemaakt wordt van een groene omgeving, zoals zorgboerderijen voor mensen met  dementie of reguliere zorginstellingen die groene elementen toepassen in hun instelling om de natuurbeleving te stimuleren. Deze initiatieven beogen fysieke activiteit, bewegingsvrijheid en autonomie te stimuleren.  In dit symposium worden de resultaten van vier studies  gepresenteerd gericht op het gebruik van een groene  omgeving bij de zorg voor mensen met dementie. De  eerste presentatie gaat over de ervaringen van mantelzorgers van bewoners van zorgboerderijen die 24-uurs  verpleeghuiszorg bieden in vergelijking met andere vormen van verpleeghuiszorg. Onderwerpen die aan bod  komen zijn ervaringen met kwaliteit van zorg en waarom mensen kiezen voor een type woonvorm. De tweede spreker zal resultaten presenteren over groene initiatieven voor dagbesteding in de stad; een relatief nieuwe  vorm van dagbesteding voor mensen met dementie. In  de presentatie wordt inzicht gegeven in de kenmerken  van deze initiatieven en wat de waarde hiervan kan zijn  voor mensen met dementie en hun mantelzorgers. De  derde presentatie zal ingaan op welke elementen van  zorgboerderijen kunnen worden toegepast in reguliere  zorginstellingen, en wat hierbij faciliterende en belemmerende factoren zijn. De laatste presentatie behandelt  persoonsgerichte natuurinterventies voor mensen met  dementie, waarbij 8 centrale thema’s van natuurbeleving  geïdentificeerd zijn als belangrijk voor kwaliteit van leven.

S5.1
Wonen op de zorgboerderij, ervaringen van  mantelzorgers met een innovatieve vorm van  verpleeghuiszorg 

B. de Boer, J.P.H. Hamers, S.M.G. Zwakhalen,  H. Verbeek

Maastricht University, Maastricht, Nederland

Achtergrond Er is binnen de verpleeghuiszorg steeds  meer aandacht voor kleinschalig wonen voor ouderen  met dementie. De focus ligt op aspecten zoals persoonsgerichte zorg, autonomie en een betekenisvolle dag voor  bewoners. De zorgboerderij die 24-uurs verpleeghuiszorg biedt, is een innovatieve vorm van verpleeghuiszorg. Het doel van deze studie was om inzicht te krijgen  in de ervaringen van mantelzorgers met zorgboerderijen en deze te vergelijken met ervaringen met traditionele afdelingen en andere vormen van kleinschalig wonen.

Methode Semi-gestructureerde interviews met 43 mantelzorgers, met als onderwerp: redenen voor de keuze  van een bepaald type verpleeghuis, positieve en negatieve ervaringen met het verpleeghuis. Transcripten werden thematisch geanalyseerd door middel van een iteratief proces van open, axiaal en selectief coderen.

Resultaten Persoonsgerichte zorg, participeren in dagelijkse activiteiten sfeer en de fysieke omgeving speelden  een belangrijke rol bij het kiezen voor een zorgboerderij en andere vormen van kleinschalig wonen. Vaak ontweken mantelzorgers bewust verpleeghuizen met een  klinische, ziekenhuisachtige sfeer. Bij traditionele verpleeghuizen werden minder weloverwogen keuzes gemaakt, waarbij vaak sprake was van crisissituaties waarin snelle actie vereist was. Alle mantelzorgers hadden  zowel positieve en negatieve ervaringen met betrekking  tot communicatie en individuele personeelsleden.

Conclusies Persoonsgerichtheid, een huiselijke sfeer,  participeren in activiteiten, communicatie en betrokkenheid van personeel waren volgens mantelzorgers  belangrijk voor mensen met dementie in alle typen  verpleeghuizen. Volgens mantelzorgers waren zorgboerderijen beter in staat om bewoners een activerende omgeving te bieden waarin persoonsgerichte zorg geleverd  werd. Naast de verschillen tussen de typen verpleeghuizen waren ervaringen ook vaak gerelateerd aan persoonlijke eigenschappen van individuele personeelsleden.

S5.2
Groene initiatieven voor dagbesteding  in de stad: wat is hier tot nu toe over bekend? 

S.R. de Bruin1  , J Hassink2  , Y Buist1  , L Vaandrager2
1  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,  Bilthoven, Nederland
2  Wageningen University and Research, Wageningen,  Nederland

Achtergrond Groene stedelijke initiatieven voor dagbesteding zijn een relatief nieuwe vorm van dagbesteding  voor thuiswonende mensen met dementie (MMD) waar  zij kunnen deelnemen aan diverse buitenactiviteiten,  waaronder tuinieren en dierverzorging. Er is nog weinig  bekend over groene initiatieven voor dagbesteding. Het  doel van ons onderzoek was daarom om inzicht te verkrijgen in hun kenmerken en betekenis voor MMD en  hun mantelzorgers.

Methode Via een oproep op verschillende websites nodigden we initiatiefnemers van groene dagbesteding uit  om een online vragenlijst in te vullen over o. a. de betrokken partijen bij het opzetten en aanbieden van hun  initiatief, cliëntengroep, aangeboden activiteiten en betekenis voor MMD en hun mantelzorgers.

Resultaten Zevenentwintig initiatiefnemers vulden de  vragenlijst in. We kunnen vier typen initiatieven onderscheiden: tuinen van zorginstellingen die openstaan  voor thuiswonende MMD (n=9), buurttuinen (n=4),  stadsboerderijen (n=2) en gemengde initiatieven  (n=12), veelal welzijnsorganisaties die naast reguliere  dagbestedingsactiviteiten ook groene activiteiten aanbieden. De meeste initiatieven hadden een gemengde  cliëntengroep (bijv. MMD, mensen met psychiatrische  problematiek, jeugdzorgcliënten) en werden soms ook  bezocht door mensen uit de buurt zonder zorgvraag.  Volgens de respondenten kan groene dagbesteding positief bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van  MMD, o. a. door het stimuleren van beweging, deelname aan betekenisvolle activiteiten, ontspanning, gevoel  van waardigheid en sociale interacties.

Conclusies Groene dagbesteding lijkt een waardevolle  toevoeging op het huidige aanbod van dagbesteding te  zijn. Een vervolgstap is het interviewen van MMD en  hun mantelzorgers omdat juist hun ervaringen aanknopingspunten zullen bieden om de dementiezorg in Nederland verder te verbeteren.

S5.3  Innovatie in de dementiezorg: toepassing van  elementen van zorgboerderijen in reguliere zorginstellingen

Yvette Buist1  , Hilde Verbeek2  , Bram de Boer2  ,  Simone de Bruin1
1  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,  Bilthoven, Nederland
2  Maastricht University, Maastricht, Nederland

Achtergrond Verschillende studies laten zien dat mensen  met dementie op zorgboerderijen fysiek actiever zijn,  meer sociale interacties hebben, betrokken zijn bij een  grotere verscheidenheid aan activiteiten en vaker buiten  komen dan mensen met dementie in reguliere zorginstellingen. Het is onbekend of elementen van zorgboerderijen, die hier vermoedelijk aan bijdragen, ook kunnen worden toegepast in reguliere zorginstellingen. Het  doel van deze studie was daarom a) nagaan welke elementen van zorgboerderijen geïmplementeerd kunnen  worden in reguliere zorginstellingen en b) in kaart brengen van mogelijke belemmerende en bevorderende factoren bij de implementatie.

Methode Semi-gestructureerde interviews werden uitgevoerd met professionals (N=23) van zorgboerderijen, kleinschalige zelfstandige initiatieven en reguliere  zorginstellingen voor mensen met dementie. Interviewtranscripten werden thematisch geanalyseerd.

Resultaten Diverse elementen van zorgboerderijen (bijv.  huiselijkheid, aanbieden van betekenisvolle activiteiten, toegang tot verschillende binnen- en buitenruimtes) worden al toegepast in reguliere zorginstellingen.  De manier waarop en de mate waarin reguliere zorginstellingen deze elementen echter toepassen verschillen  van zorgboerderijen. Belemmerende en bevorderende  factoren bij het implementeren van elementen van zorgboerderijen hangen samen met de fysieke omgeving van  de zorginstelling (o. a. de mate van verstedelijking), eigenschappen en competenties van zorgverleners (o. a.  inlevingsvermogen en flexibiliteit), kenmerken en competenties van managers (o. a. leiderschap en visie) en  wet- en regelgeving (o. a. de wijze waarop wordt omgegaan met veiligheids- en risicoprotocollen).

Conclusies Verschillende elementen van zorgboerderijen kunnen worden toegepast in reguliere zorginstellingen. Voor verdere innovatie in de dementiezorg is het  echter van belang dat niet alleen de fysieke omgeving  maar ook de sociale en organisatorische context het proces van vernieuwing ondersteunen.

S5.4
Nature4DEM: persoonsgerichte natuurinterventies  voor mensen met dementie 

D. Gerritsen1  , I. Hendriks2  , D. van Vliet1  , R.M. Dröes2
1  Radboud University Medical Centre, Nijmegen,  Nederland
2  VU University Medical Center, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Hoewel er al belangrijke inzichten zijn over  de mogelijke impact van natuur op het welbevinden van  mensen met dementie, is nog weinig bekend over hoe  die inzichten kunnen worden vertaald naar activiteiten  die bijdragen aan het welbevinden. Doel van dit project  was het ontwikkelen en testen van een methodiek om  persoonsgerichte natuuractiviteiten te ontwerpen voor  mensen met dementie.

Methoden Een kwalitatieve descriptieve studie met focus  groepen met mensen met dementie is uitgevoerd om inzicht te krijgen in relevante natuurbelevingsthema’s en  voorkeursactiviteiten. Op basis van deze resultaten en  de literatuur is een persoonsgerichte methodiek ontwikkeld, die exploratief getoetst is in een pilotstudie waarbij  acceptatie van en ervaring met de natuurinterventie bij  13 mensen met dementie is onderzocht. Ook de tevredenheid van zorgprofessionals en de organisatorische  uitvoerbaarheid werden onderzocht.

Resultaten Uit de focus groepen werden 8 centrale thema’s van natuurbeleving geïdentificeerd als belangrijk  voor kwaliteit van leven (bijv. ontspanning, vrijheid),  evenals 6 categorieën van voorkeursactiviteiten (bijv. actief, passief, sociaal). Op basis van deze thema’s en categorieën werd een methodiek ontwikkeld om natuuractiviteiten persoonsgericht vorm te geven aansluitend bij  individuele wensen, behoeften en ervaringen van mensen met dementie. Tijdens de interventie toonden deelnemers van de pilot studie veel positief gedrag en weinig  ‘negatief ’ gedrag. Er werden 8 organisatorische elementen geïdentificeerd die een succesvolle implementatie  van natuuractiviteiten bevorderen.

Conclusie Deze exploratieve studie draagt bij aan kennis  over ontwikkeling en implementatie van persoonsgerichte natuuractiviteiten voor mensen met dementie. De  implementatie kan worden verbeterd door zorgprofessionals te trainen in persoonsgerichte zorg in de brede zin.  Tweede ronde workshop en symposia

W1
Intimiteit en seksualiteit in verpleeghuizen:  het hoort erbij! 

N. Sant1  , K. de Blécourt2
1 Waardigheid en trots, Vilans, Utrecht, Nederland
2 Rutgers, Utrecht, Nederland

In deze workshop staan intimiteit en seksualiteit centraal. Basisbehoeftes, die bijdragen aan ervaren kwaliteit  van leven. De overheid ziet dit onderwerp als een van  de graadmeters om het leven en wonen in het verpleeghuis net als thuis te laten zijn. Wil jij intimiteit en seksualiteit binnen je organisatie handen en voeten geven  en bespreekbaar maken? Kom dan naar onze workshop,  waar we je aan de hand van de werkbox die binnen het  programma Waardigheid en trots ontwikkeld wordt, op  weg helpen. De werkbox bevat o. a. tips hoe het gesprek  aan te gaan, hoe de dilemma’s binnen een team te adresseren en een scala aan casussen. Naast praktijkervaringen maken we ook gebruik van het wetenschappelijk  onderzoek op dit gebied.

S6
Strategieën voor het bevorderen van een gezonde  leefstijl bij ouderen 

Voorzitters:  E. Doets, A. Haveman  Wageningen University & Research, Wageningen,  Nederland

Een gezond voedingspatroon en voldoende beweging op  latere leeftijd helpt het risico op sarcopenie, osteoporose, hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten en bepaalde  kankersoorten te verlagen en draagt op die manier bij  aan een betere gezondheid en kwaliteit van leven. Met  toenemende leeftijd neemt de energiebehoefte af, terwijl  de behoefte aan nutriënten gelijk blijft of zelfs toeneemt  (vitamine D, eiwit). Dit heeft gevolgen voor de samenstelling van een gezond voedingspatroon. Vaak gaat ouder worden gepaard met een afname in voedingsinname door fysiologische en niet-fysiologische redenen.  Als een oudere er niet in slaagt om voldoende voeding  tot zich te nemen kan dit op den duur leiden tot ongewenst gewichtsverlies en ondervoeding wat samenhangt met een langzamer herstel, meer en ernstigere complicaties en een verminderde spiermassa. Overconsumptie komt ook veel voor onder ouderen, zo’n 60% heeft  overgewicht of obesitas. Gegeven dat het aantal ouderen  in onze samenleving toeneemt is het van groot belang  om effectieve strategieën te ontwikkelen een adequate  voedingsinname en voldoende lichaamsbeweging ondersteunen. Een aantal strategieën worden in dit symposium toegelicht, waaronder voedingsadvies op maat,  regelmatig monitoren van voedings- en beweeggedrag  en een leefstijlinterventie.

S6.1  Gunstig effecten van gepersonaliseerd leefstijl  advies op gezondheid van actieve Nederlandse  senioren – een pilot studie

E. Doets1  , I. de Hoogh2  , N. Holthuysen1  , S. Wopereis2  ,  M. Verain3  , A. Boorsma2  , E. Bouwman3  , K. Hogenelst2  ,  J. van de Puttelaar3  , M. Timmer1  , W. Pasman2  ,  M. van Erk2  , M.I. Reinders3
1  Wageningen University & Research, Wageningen,  Nederland
2  TNO, Zeist, Nederland
3  Wageningen Economic Research, Den Haag, Nederland

Achtergrond Gezond voedingsgedrag en voldoende lichaamsbeweging dragen bij aan gezond ouder worden.  Een strategie voor het bevorderen van een gezonde leefstijl is gepersonaliseerd advies. Personaliseren van leefstijladviezen kan op basis van individuele gewoontes,  gezondheidssituatie en persoonskenmerken. Het doel  van dit onderzoek is om te evalueren of gepersonaliseerde leefstijladviezen effectiever zijn dan algemene adviezen voor het bevorderen van gezond leefstijlgedrag en  gezondheid in een doelgroep actieve senioren.

Methode Het onderzoek betrof een enkel-blind, gerandomiseerde en gecontroleerde interventiestudie met  een duur van 9 weken. Deelnemers waren 59 senioren  (22 mannen en 37 vrouwen) van 60 jaar en ouder met  een BMI van 20–30 kg/m2. De interventiegroep (n=30)  kreeg in totaal 3 keer gepersonaliseerd leeftstijladvies  (PA) dat was afgestemd op individuele voedingsinname, gezondheidsparameters en genotype. De controle  groep (n=29) ontving een folder met algemene adviezen (AA) van het Voedingscentrum. Zelf gerapporteerde voedingsinname en opvolging van de adviezen werd  elke drie weken gemonitord. Metabole gezondheid, antropometrie, fysiek functioneren en subjectieve gezondheid werden voor en na de interventieperiode gemeten.

Resultaten Tijdens de interventieperiode verbeterde fysiek functioneren (SPPB) zowel de PA (∆=0.73,  SD=1.17, p<0.05) als de AA groep (∆=0.48, SD=0.99,  P<0.10). In de PA groep namen vetpercentage (∆=-1.08,  SD=3.18) en heupomtrek (∆=-1.08, SD=4.36) sterker  af dan in de AA groep (p<0.05). Er waren geen verschillen tussen de groepen in subjectieve gezondheid.

Conclusies Leefstijladvies heeft een positief effect op  de gezondheid van actieve senioren. Personalisatie van  leefstijladvies in deze doelgroep geeft extra gezondheidsvoordelen ten opzichte van algemene adviezen en  informatie.

S6.2
Telemonitoring om voedingsstatus en beweging  bij thuiswonende ouderen te verbeteren: een  proces- en effectevaluatie 

M.N. van Doorn-van Atten1  , A. Haveman-Nies2  ,  J.H.M. de Vries1  , C.P.G.M. de Groot1
1  Wageningen University & Research, Wageningen,  Nederland
2  GGD Noord- en Oost-Gelderland, Warnsveld,  Nederland

Achtergrond Een optimale voedingsstatus en voldoende beweging zijn essentieel voor gezond ouder worden.  In Nederland wordt geschat dat 11 tot 35 procent van de  thuiswonende ouderen ondervoed is. Vroegtijdig signaleren van ondervoeding is belangrijk en vanwege de toenemende zorgvraag gaat de interesse uit naar nieuwe technologieën die gezond ouder worden ondersteunen. Het  doel van deze studie is het evalueren van een telemonitoringsinterventie voor het signaleren van ondervoeding  en stimuleren van beweging bij thuiswonende ouderen.

Methode In 2016 en 2017 is er een quasi-experimentele studie uitgevoerd met 217 Nederlandse, thuiswonende  ouderen (65+). De interventie duurde zes maanden en  bestond uit telemonitoring van voedingsstatus, lichaamsgewicht, eetlust, kwaliteit van het eetpatroon en lichamelijke beweging; feedback via een televisiekanaal en – wanneer nodig – advies door een verpleegkundige of diëtist.  De controlegroep ontving de gebruikelijke zorg. Uitkomstmaten waren voedingsstatus, kwaliteit van het eetpatroon (mate waarin men voldoet aan de Nederlandse  Richtlijnen Goede Voeding, gescoord op een schaal van  0–90), kwaliteit van leven, functionele status, fysiek functioneren, gedragsdeterminanten en procesindicatoren.

Resultaten Voorlopige analyses laten significant positieve  effecten zien op voedingsstatus (β=0.11, standard error (SE)=0.06, p=0.05) en kwaliteit van het eetpatroon  (β=3.92, SE=1.63, p=0.02). Deelnemers waren tevreden over de interventie (tevredenheidsscore van 3.9 op  een schaal van 0–5). Meer inzichten in de resultaten zullen volgen.

Conclusie Deze studie zal de effectiviteit en acceptatie  laten zien van een telemonitoringsinterventie voor het  signaleren van ondervoeding en stimuleren van beweging bij thuiswonende ouderen, waarmee deze studie  bijdraagt aan de kennis hoe technologie kan worden ingezet voor gezond ouder worden.

S6.3
Effectiviteit van een interventieprogramma met  eiwitrijke voeding en krachttraining in  een praktijkomgeving: Een multi-center  gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoek –  Voorlopige resultaten 

N. Wezenbeek, E. van Dongen, L. O’Callaghan,  E. Doets, A. Haveman, L. de Groot

Wageningen University & Research, Wageningen,  Nederland

Achtergrond Gecombineerde interventies bestaande uit  krachttraining en verhoogde eiwitinname hebben in klinische studies veelbelovende resultaten laten zien voor  spiergezondheid van kwetsbare ouderen. Het project  „ProMuscle in de Praktijk „omvat een multi-center, gerandomiseerd en gecontroleerd interventieonderzoek  naar de effectiviteit van zo’n gecombineerde interventie  in een praktijkomgeving in 5 gemeentes in Gelderland.

Methoden In de gemeente Apeldoorn waren 11 deelnemers in de interventiegroep. Zij ontvingen een intensief  programma van 12 weken bestaande uit progressieve  krachttraining onder begeleiding van een fysiotherapeut  (2 keer per week) en individueel voedingsadvies van een  diëtist. Dit advies is gericht op het verhogen van de eiwitinname naar minimaal 25 gram per hoofdmaaltijd.  Deelnemers in de controle groep (n=13) kregen geen  interventie. De uitkomstmaten spierkracht (1-RM en  MicroFET) en lichaamssamenstelling werden aan het  begin, na 12 weken en na 24 weken gemeten.

Resultaten Er was geen significante verbetering in  spierkracht gemeten met de „leg press“. Kracht gemeten met de „leg extension“ nam in de interventiegroep  toe met 14.7% (p=0.000). Dit was significant meer dan  kracht in de controle groep (10.6 kg, p=0.000). Verandering in spiermassa van de interventiegroep (0.9 kg,  p=0.033) verschilde niet significant van de controle  groep. Deelnemers waren zeer tevreden over het gehele interventieprogramma, het beweegprogramma en het  voedingsprogramma (scores op een schaal van 1–10 respectievelijk 8.4, 7.9 en 7.6.

Conclusie De resultaten suggereren positieve effecten  van de interventie voor spierkracht en spiermassa. Niet  alle resultaten waren significant, maar dit kan zeer waarschijnlijk worden verklaard door de kleine steekproef.

S6.4
Wie ligt er tegenwoordig nog in het ziekenhuis? 

B. Strookappe, E. de Dronkers, E. de Janse, S. Mosterd  Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede, Nederland

Achtergrond Je loopt stage, je zit in een vergadering en je  ligt in het ziekenhuis. Ons taalgebruik verraadt al dat er  in een ziekenhuis vooral wordt gelegen. Deze inactiviteit geeft een verhoogd risico op ziekenhuiscomplicaties  en is de oorzaak van achteruitgang van fysieke fitheid  met voor de oudere patiënt consequenties voor zelfredzaamheid.  In ziekenhuis Gelderse Vallei is een project gestart  om het activiteitenniveau van de patiënt te verbeteren.  De eerste stap is het continue monitoren van het activiteitenniveau van de patiënt gedurende de opname op de  afdeling Ouderengeneeskunde.

Methode Bij 43 patiënten (leeftijd 82.7±6.5 en opnameduur 9.9±4.1 dag) is het activiteitenniveau gemeten m.b. v. een accelerometer. Tevens is de associatie  onderzocht met de volgende variabelen: ISAR, 2MWT,  MUST, EMS, ligduur, infuusgebruik, kathetergebruik,  medicatie, loophulpmiddel en valangst.

Resultaten De mediaan van het energieverbruik per  dag was 78 (IQR 70) kcal. Er was een significante associatie met de EMS (r=0.48; p<0.01), 2 MWT (r=0.64;  p<0.01) en ISAR (r=0.47; p<0.01). Er was geen significante relatie met de MUST. Patiënten zonder katheter  (mediaan 71; IQR 70) bewegen significant meer dan patiënten met katheter (mediaan 54; IQR 51)(p<0.01). Er  is geen significante relatie met infuusgebruik. Valangst,  gebruik van loophulpmiddellen en ligduur waren niet  significant geassocieerd. Patiënten met neuroleptica  (mediaan 43; IQR 54) bewegen minder dan patiënten  zonder (mediaan 86; IQR 64 kcal) (p<0.01).

Conclusies Het activiteitenniveau van deze patiëntengroep is laag. De significant gerelateerde variabelen bij  opname kunnen worden gebruikt voor een risicoanalyse. De metingen tijdens opname verklaren een gedeelte  van de variatie in het activiteitenniveau en kunnen gebruikt worden voor het opstellen en implementeren van  beweeginterventies.

S7
Het opsporen van thuiswonende kwetsbare ouderen 

Voorzitters:  L.P.M. op het Veld, E. van Rossum  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland

Kwetsbare ouderen lopen meer risico’s op negatieve gezondheidsuitkomsten. Het opsporen van deze ouderen  is dus belangrijk. Echter, doordat onderzoekers en zorgprofessionals verschillende definities van kwetsbaarheid hanteren, bestaat er een grote verscheidenheid aan  meetinstrumenten. In dit symposium wordt ingegaan  op verschillende manieren om kwetsbare ouderen op te  sporen.  In de eerste presentatie wordt de validiteit onderzocht van tien verschillende methoden om kwetsbare  ouderen in de huisartspraktijk te identificeren. In de  tweede presentatie wordt ingezoomd op één methode  om thuiswonende kwetsbare ouderen op te sporen: de  criteria van Fried. Deze criteria worden wereldwijd veel  gebruikt, maar bevatten twee fysieke metingen die vaak  lastig uitvoerbaar zijn in de dagelijkse praktijk of grootschalig onderzoek. De presentatie gaat in op de vraag of  deze fysieke metingen vervangen kunnen worden door  zelfrapportage vragen.  In het merendeel van de onderzoeken naar kwetsbare ouderen staan de ouderen zelf centraal. Er is echter  weinig bekend over de waarde van een proxy beoordeling. Het oordeel van een proxy kan bijvoorbeeld nuttig  zijn wanneer een oudere zelf niet in staat is de mate van  kwetsbaarheid in te schatten. De laatste presentatie gaat  in op het vergelijken van zelfrapportage en ‘handzame’  proxy beoordelingen door de huisarts en mantelzorger  bij ouderen met multidimensionale kwetsbaarheid.

S7.1
Diagnostische waarde van 10 methoden om  kwetsbare oudere personen te identificeren in de  huisartspraktijk 

H.P.J. van Hout, E.O. Hoogendijk  VU medisch centrum, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Het is niet bekend welke methode het  meest valide is voor vroegtijdige identificatie van kwetsbare ouderen in de eerste lijn. Doel was om de validiteit betrouwbaarheid te bepalen van verschillende methoden om kwetsbare ouderen in de huisartspraktijk te  identificeren.

Methode De scores op 10 index instrumenten werden  vergeleken met 2 referentiestandaarden voor kwetsbaarheid bij 102 oudere personen uit een huisartsenpraktijk  in Amsterdam. De diagnostische waarde werd geschat  met Area Under the Curve (AUC).  De Indextesten: (1) inschatting van de huisarts, (2)  eigen inschatting met rapportcijfer, (3) loopsnelheid, (4)  Rockwoods’s frailty indicator, (5) PRISMA-7 screener,  (6) Groninger Frailty Indicator, (7) Aantal medicijnen,  (8) de Edmonton Frail Scale (EFS), (9) Identificatie Senioren Primary Care (ISAR PC), (10) TRAZAG. Referentiestandaarden waren (1) Fried’s frailty criteria >2.  (2) Multidisciplinair expertpanel consensus oordeel.

Resultaten De prevalentie van kwetsbaarheid varieerde  tussen de methoden van 11.6% (Fried) en 22.8% (consensus) tot 52.9% (ISAR-PC). The diagnostische waardes varieerden goed (AUC=.86 loopsnelheid, en PRISMA7=.85) tot matig (AUC=.66 ISAR-PC en GFI=.71)  tot ten opzichte van Fried’s criteria. PRISMA-7 presteerde goed op beide referentiestandaarden. Het huisarts  oordeel bleek het beste sterfte en langdurige opname  te voorspellen. De door de methoden geïdentificeerde personen verschilden sterk op selectie van 80+ers  (50%-78%), afhankelijkheid (61–95%), somberheid  10–47%) en gebruik van thuiszorg (48–100%).

Conclusie De validiteit van huidige methoden om kwetsbare personen te identificeren loopt sterk uiteen en leidt  tot de selectie van een heterogene groep personen. Deze  studie kan de keuze voor een valide methode om kwetsbare personen te identificeren onderbouwen.

S7.2
Kunnen de fysieke metingen van Fried’s  kwetsbaarheidscriteria vervangen worden door  zelfrapportage vragen? 

L.P.M. Op het Veld1  , H.C.W. de Vet2  , E. van Rossum1  ,  G.I.J.M. Kempen3  , S.M.J. van Kuijk4  , A.J.H.M. Beurskens1
1  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland
2  VU medisch centrum, Amsterdam, Nederland
3  Maastricht University, Maastricht, Nederland
4  Maastricht UMC+, Maastricht, Nederland

Achtergrond De vijf criteria van Fried worden wereldwijd het meest gebruikt om kwetsbare ouderen op te  sporen. Drie criteria zijn zelfrapportage vragen. Voor  de andere twee criteria – verminderde loopsnelheid en  handknijpkracht – zijn fysieke metingen nodig, maar  die zijn niet altijd makkelijk uitvoerbaar in de praktijk  en in onderzoek. Daarom is onderzocht of deze fysieke testen vervangen kunnen worden door zelfrapportage vragen.

Methode Op basis van literatuuronderzoek en interviews  met ouderen en experts zijn 11 vragen over loopsnelheid en 10 vragen over handknijpkracht geselecteerd.  Vervolgens zijn zowel deze vragen als de oorspronkelijke Fried criteria (incl. fysieke metingen) afgenomen bij  een groep van 135 thuiswonende ouderen (65+) in verschillende stadia van kwetsbaarheid.

Resultaten Uit regressieanalyses blijkt een set van vier  vragen optimaal te zijn voor loopsnelheid en twee vragen voor handknijpkracht. Afkapwaardes van 3 voor  loopsnelheid (range 0–5) en 1 voor handknijpkracht  (range 0–3) lijken het meest optimaal. Dit resulteert  in een sensitiviteit van 69,2%, 86,1% specificiteit en  79,4% agreement voor loopsnelheid. Voor handknijpkracht zijn deze waardes respectievelijk 73,2%, 71,3%  en 71,9%. Een vergelijking van de classificatie in stadia  van kwetsbaarheid tussen de oorspronkelijke Fried metingen en de metingen op basis van alleen zelfrapportage vragen resulteert in een agreement van 71,1% (kappa=0,55).

Conclusie Twee korte sets vragen lijken bruikbaar om  de fysieke metingen van Fried’s criteria te vervangen.  Deze vragen zijn eenvoudig te beantwoorden en af te  nemen en vereisen geen speciaal getrainde professional  of apparatuur. Dit maakt ze geschikt voor gebruik in  de dagelijkse praktijk en grootschalig (vragenlijst)onderzoek.

S7.3
Het meten van multidimensionale kwetsbaarheid:  zelfrapportage versus proxy beoordelingen door  de huisarts en mantelzorger 

A. van der Vorst1  , G.A.R. Zijlstra1  , N. De Witte2  ,  G.I.J.M. Kempen1  , J.M.G.A. Schols1  , D-SCOPE  consortium
1  Maastricht University, Maastricht, Nederland
2  Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België

Achtergrond Het kan nuttig zijn dat een naaste de mate  van kwetsbaarheid van een oudere inschat, bijvoorbeeld  wanneer de oudere hiertoe zelf niet in staat is. Ondanks  het vele onderzoek naar het meten van kwetsbaarheid,  is nog veel onduidelijk over de waarde van proxy beoordelingen. Zo heeft eerder onderzoek niet gefocust  op verschillende kwetsbaarheidsdomeinen, of is voorbij  gegaan aan het perspectief van de oudere. Het doel van  dit onderzoek is het vergelijken van zelfrapportage en  ‘handzame’ proxy beoordelingen van multidimensionale kwetsbaarheid.

Methode In een cross-sectionele studie zijn 78 thuiswonende ouderen (60+), hun huisarts (n=57) en/of  mantelzorger (n=50) ondervraagd. De Comprehensive  Frailty Assessment Instrument (CFAI) is gebruikt om  fysieke, omgevings-, psychische, en sociale kwetsbaarheid te meten bij de ouderen zelf. Aan de huisarts en  mantelzorger is gevraagd deze domeinen te beoordelen  op een schaal van 0 tot 10.

Resultaten Ouderen rapporteerden psychische (20,5%)  en fysieke (19,2%) kwetsbaarheid het vaakst, en sociale kwetsbaarheid het minst (12,8%). Zowel huisartsen  als mantelzorgers gaven de hoogste score (meest kwetsbaar) voor het fysieke domein (gemiddelden van respectievelijk 4,2 en 5,1), en de laagste score voor het omgevingsdomein (beide 2,6). Significante correlaties werden  gevonden tussen de beoordeling van beide proxies en de  oudere voor het fysieke (r=.398, p ≤.01 voor de huisartsen; r=.305, p ≤.05 voor de mantelzorgers) en psychische domein (r=.227, p ≤.05 voor de huisartsen;  r=.254, p ≤.05 voor de mantelzorgers).

Conclusie Deze studie laat zien dat proxy beoordelingen  van fysieke en psychische kwetsbaarheid matig correleren met een zelfrapportagelijst, maar de beoordelingen  van omgevings- en sociale kwetsbaarheid niet.

S8
Informele zorg in de participatiesamenleving: over  netwerken, kwaliteit van leven en interventies 

Voorzitters:  B. Suanet, M. Broese van Groenou

Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

In het huidige zorgbeleid is een grotere rol weggelegd  voor mantelzorgers. Niet alleen voor de nabije familie,  maar ook voor het bredere sociale netwerk, zoals verdere familie en vrienden. Dit roept vragen op over de  inzet van niet-verwanten (versus verwanten) in informele zorg, en over hoe belangrijk informele zorg is voor  de ervaren kwaliteit van leven. Daarnaast geven ouderen ook zelf steeds vaker mantelzorg, mogelijk onder  verschillende condities en met verschillende gevolgen  voor de ervaren kwaliteit van leven dan op jongere leeftijd. Een groter belang van informele zorg roept ook de  vraag op naar nieuwe interventies om de netwerken van  ouderen te verstevigen. In dit symposium bundelen we  de nieuwste inzichten op het gebied van informele zorg  in onderzoek en praktijk. De eerste studie beziet of het  krijgen van informele zorg varieert naar het netwerktype van ouderen en of huidige ouderen nu meer informele zorg van niet-verwanten krijgen dan voorgaande  generaties. De tweede studie beziet diverse typen van  zorgnetwerken naar samenstelling en functioneren en  relateert deze aan de ervaren kwaliteit van leven van de  zorgontvanger. De derde studie richt vervolgens zich op  gevers en beziet of ouderen verschillen van niet-ouderen in het geven van mantelzorg en de mate van ervaren  belasting. De vierde bijdrage richt zich op de effecten  van een vernieuwde interventie om banden in informele  groepen van ouderen te verbeteren.

S8.1
Sociale netwerk typen en informeel zorggebruik  in het late leven: een vergelijking van drie  geboortecohorten van 75–84 jaar 

B. Suanet, M.I. Broese van Groenou, T.G. Van Tilburg

Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Recente sociale veranderingen hebben het  belang van niet-familie relaties vergroot. De vraag is of  ouderen met netwerktypen met meer niet-familie tegenwoordig ook meer informele zorg hiervan ontvangen. In  deze studie bestuderen we hoe informeel zorggebruik  varieert naar netwerktype voor drie geboortecohorten  van ouderen.

Methode Data van drie cohorten van ouderen, leeftijd  75–84 met functionele beperkingen, van de Longitudinal Ageing Study Amsterdam (LASA) worden gebruikt,  respectievelijk geïnterviewd in 1992, 2002 en 2012. We  maken gebruik van logistische regressie analyse om te  bepalen of de invloed van netwerktype op informeel  zorggebruik varieert naar geboortecohort.

Resultaten We vinden vier netwerktypen in onze data:  1) restrictief netwerk, 2) familie-gebaseerd met partner  netwerk, 3) familie-gebaseerd zonder partner netwerk  en 4) bredere gemeenschap georiënteerde diverse netwerk. Bredere gemeenschap georiënteerde diverse netwerken komen vaker voor in het late cohort, terwijl restrictieve netwerken en familie-gebaseerde netwerken  zonder partner minder vaak voorkomen. Degene in familie-gebaseerde netwerken met een partner ontvangen het vaakst informele zorg, en dat varieert niet naar geboortecohort. Ongeacht het netwerktype ontvangen degenen in het late geboortecohort minder vaak informele  zorg. Echter, na het controleren voor noodzaak, predispositie en mogelijkheden zijn de cohortverschillen niet  langer significant.

Conclusies Ondanks grote sociale veranderingen kunnen we concluderen dat sociaal-culturele grenzen in het  geven van informele zorg nog steeds intact zijn en dat  onder mensen met functionele beperkingen de kans om  informele zorg te ontvangen niet afneemt over geboortecohorten heen.

S8.2
Hoe draagt het zorgnetwerk bij aan de ervaren  kwaliteit van leven van thuiswonende ouderen? 

M.I. Broese van Groenou  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond In de huidige beleidscontext blijven ouderen langer thuis wonen met complexe zorgvragen  en krijgt men hulp van meerdere informele en formele  hulpverleners. Indien het zorgnetwerk aan omvang en  diversiteit wint, zou dit een positief effect op de ervaren  kwaliteit van leven kunnen hebben vanwege de vergrote  kans op gewenste zorg. Anderzijds kan een groot en divers zorgnetwerk bijdragen aan verminderde regie over  zorg, hetgeen de kwaliteit van leven kan verlagen. Dit  onderzoek gaat na hoe kenmerken van het zorgnetwerk  de relatie tussen gezondheid en kwaliteit van leven beïnvloedt. Daarbij is aandacht voor 1) de structurele en  functionele kenmerken van het zorgnetwerk, en 2) de  subjectieve evaluatie van de zorgverlening.

Methode Het onderzoek wordt uitgevoerd bij ouderen  (N=491), afkomstig uit de 2012-wave van de Longitudinal Aging Study Amsterdam, en geselecteerd op het  verkrijgen van zorg.

Resultaten Analyses wijzen uit dat gezondheidsproblemen (fysieke en cognitieve beperkingen) positief gerelateerd zijn aan depressieve symptomen. Een groter aantal  hulpverleners en meer inzet van formele helpers dragen  bij tot meer depressieve symptomen. Een positiever oordeel over de samenwerking, grotere tevredenheid met  de zorg, en een sterker gevoel van eigen regie, dragen  bij tot minder depressieve symptomen. De samenstelling en de evaluatie van het zorgnetwerk verklaren maar  gedeeltelijk het verband tussen gezondheid en depressieve stemming, en hebben vooral een effect op kwaliteit van leven.

Conclusies De resultaten suggereren dat de ervaren kwaliteit van en regie over de zorg van groot belang is voor  de ervaren kwaliteit van leven van kwetsbare ouderen.

S8.3
Verschillen in (gevolgen van) geven van mantelzorg  tussen ouderen en niet-ouderen 

M. de Klerk1  , A. de Boer1,2, I. Plaisier1

1  Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, Nederland 2  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Ouderen zijn minder vaak mantelzorger  dan jongere mensen. Meer inzicht in de oorzaken van  die verschillen, maakt het wellicht mogelijk om de verschillen te overbruggen. In de presentatie gaan we in op  mogelijke oorzaken van het verschil in geven van mantelzorg tussen jongere en oudere mensen. Daarnaast  gaan we na wat de determinanten zijn van de belasting  van mantelzorgers en in hoeverre deze ervaringen voor  jong en oud verschillend zijn.

Methode We baseren ons op de gegevens van ruim 7000  respondenten, onder wie ruim 2500 mantelzorgers van  de landelijke studie Informele Hulp in 2014.

Resultaten Dat (oude) ouderen minder vaak mantelzorg  geven dan 45–54-jarigen komt deels doordat zij minder  vaak iemand kennen die hulp nodig heeft, maar hangt  ook samen met zaken als normen, handelingsverlegenheid of een slechte gezondheid. Bij zowel jong als oud  wordt een hoge belasting bepaald door intensiteit, sociale relatie en intrinsieke motivatie, maar bij de alleroudsten die intensief helpen loopt de ervaren belasting niet  zo hoog op als bij jongeren.

Conclusies Al met al lijkt het lastiger voor ouderen om  mantelzorg te geven dan voor niet-ouderen. Bij de ondersteuning van oudere helpers spelen mogelijk andere  dingen een rol dan voor jongeren.

S8.4
“GRIP&GLANS met elkaar”:  een Zelfmanagement-van-Welbevinden interventie  gericht op het versterken van informele groepen  ouderen 

M.M. Goedendorp1  , N Steverink1,2
1  Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen,  Nederland
2  Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Nederland

Achtergrond De GRIP&GLANS (G&G) groepscursus is  een evidence-based interventie die veerkracht en welbevinden verbetert, en eenzaamheid vermindert. Vanwege  de individuele aanpak van G&G bestaat het risico dat effecten niet behouden blijven, omdat de omgeving en het  netwerk van de individuele oudere onveranderd blijft.  “G&G met elkaar” is een nieuw ontwikkelde variant gericht op het versterken van informele netwerken van  ouderen. We onderzoeken of “G&G met elkaar” zelfmanagementvaardigheid en welbevinden verbetert, en informele groepen versterkt.

Methode “G&G met elkaar” bestaat uit 7 sessies in 9 weken en een terugkombijeenkomst na 3 maanden. De  interventie werd aangeboden aan informele groepen  ouderen, zoals verenigingen en woonvormen. In een  pre-post design met vier follow-up metingen werd gebruik gemaakt van vragenlijsten en interviews om de  effecten op zelfmanagementvaardigheid, welbevinden  en groepsversterking, zoals sociale steun en cohesie, in  kaart te brengen.

Resultaten In totaal hebben 11 informele groepen  (n=82) aan “G&G met elkaar” deelgenomen, waarvan  één groep en 7 individuen tussentijds stopten. Eerste  pre-post analyses laten zien dat zelfmanagementvaardigheid toenam en eenzaamheid afnam. Wat betreft het  versterken van de informele groepen zagen we een toename in de ervaring van emotionele steun en sociale cohesie.

Conclusies De interventie “GRIP&GLANS met elkaar”  kan een bijdrage leveren aan het versterken van informele netwerken van ouderen. Deze interventie past in  de kanteling van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving, waarbij mensen meer eigen regie moeten  nemen en een beroep moeten doen op hun eigen netwerk om langer zelfredzaam te blijven.

S9
Vernieuwing in kennis van verpleegkundige  basiszorg bij ouderen – Basic Care Revisited 

Voorzitters:  M.J. Schuurmans1  , S.F. Metzelthin2
1  University Medical Center Utrecht, Utrecht, Nederland
2  Maastricht University, Maastricht, Nederland

Door de vooruitgang in de gezondheidszorg wordt de  Nederlandse bevolking tegenwoordig ouder dan ooit en  dit geldt voor steeds meer mensen in Nederland. Uiteraard is dit een goede ontwikkeling, maar de dubbele vergrijzing leidt ook tot nieuwe maatschappelijke en wetenschappelijke vraagstukken en uitdagingen. Bijvoorbeeld  moet er met minder geld en mankracht voor een groeiend aantal ouderen kwalitatief goede zorg bij redelijke  kosten geleverd worden – zowel in de thuissetting, als in  het ziekenhuis en het verpleeghuis. Verpleegkundigen  en verzorgenden spelen hierbij een belangrijke rol. Echter, is er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs voor  de effectiviteit van de meest toegepaste zorgtaken in de  verpleegkundige zorg, bijvoorbeeld waar het gaat om taken die zijn gerelateerd communicatie, eten & drinken,  wassen & aankleden en mobiliteit. Deze taken worden  ook wel basiszorgtaken genoemd.  De onderzoekslijn ‘Basic Care Revisited’ heeft als  doel om deze basiszorgtaken met wetenschappelijk bewijs te onderbouwen. Na een korte introductie over  de onderzoekslijn door de voorzitter, professor Marieke Schuurmans, worden drie deelstudies uit de onderzoekslijn gepresenteerd. De eerste spreker presenteert  een systematisch literatuuronderzoek naar interventies  die de communicatie tussen mensen met dementie en  verpleegkundigen en verzorgenden kunnen verbeteren.  De tweede spreker bespreekt de ontwikkeling van een  voedingsinterventie met als doel om ondervoeding na  ziekenhuisopname bij thuiswonenden ouderen te voorkomen. In de derde presentatie worden de resultaten  van een pilotonderzoek naar het programma ‘Blijf Actief  Thuis’ gepresenteerd. Dit programma beoogt thuiszorgmedewerkers aan te leren hoe ze zelfredzaamheid van  thuiswonende ouderen kunnen bevorderen. Na de drie  presentaties is er ruimte voor een discussie met de zaal.

S9.1
Interventies ter verbetering van communicatie  tussen verpleegkundigen en mensen met  dementie tijdens dagelijkse zorg: een systematisch  literatuuronderzoek 

M. Machiels, S.F. Metzelthin, J.P.H. Hamers,  S.M.G. Zwakhalen

Maastricht University, Maastricht, Nederland

Achtergrond De verbale en cognitieve beperkingen van  mensen met dementie stellen verpleegkundigen vaak  voor grote uitdagingen tijdens de communicatie. Dit  komt vooral tot uitdrukking tijdens het verlenen van  dagelijkse zorgtaken zoals het wassen en aankleden. Om  inzicht te krijgen in de effectiviteit van interventies ter  verbetering van communicatie is een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. De resultaten dienen als  basis voor een te ontwikkelen interventie.

Methode In juni 2015 is gezocht naar interventiestudies  in Cochrane, CINAHL, PsychINFO, en Pubmed. Studies werden geïncludeerd als: 1) de focus lag op het verbeteren van communicatie tussen verpleegkundigen en  mensen met dementie; 2) interventies toepasbaar waren  tijdens de dagelijkse zorg; 3) het controlled trials waren;  en 4) het Engels-, Nederlands-, of Duitstalige artikelen  waren. Inhoud en effectiviteit van de interventies en de  methodologische kwaliteit van de studies werden beoordeeld.

Resultaten De zes geïncludeerde studies vier (cluster)  randomised controlled trials en twee non-randomised  controlled trials) waren van zeer beperkte methodologische kwaliteit. Vijf van de zes studies werden beoordeeld met een hoog risico op bias. Alle studies bevatte een communicatie trainingselement. De interventies  verschilden sterk in frequentie, duur en inhoud. Daarnaast verschilden de gebruikte uitkomstmaten en meetmethoden in de studies substantieel van elkaar. In vier  studies werd non-verbale communicatie gemeten, waarvan alle positieve resultaten lieten zien. Verbale communicatie werd in vier studies gemeten waarvan drie studies positieve resultaten lieten zien.

Conclusies Er is weinig bewijs voor effectieve interventies ter verbetering van communicatie tussen verpleegkundigen en mensen met dementie. Er zijn beperkte  aanknopingspunten gevonden voor de interventieontwikkeling.

S9.2
Een interventie om voor en na ziekenhuisopname  ondervoeding te voorkomen bij niet-geïnstitutionaliseerde thuiswonende ouderen: ontwikkeling  van een complexe verpleegkundige interventie 

D. ten Cate1, R.G.A. Ettema1 , G. Huisman-de Waal3 ,  M.J. Schuurmans2
1  Hogeschool Utrecht, Utrecht, Nederland
2  Universiteit Utrecht, Utrecht, Nederland
3  Radboud Universiteit, Nijmegen, Nederland

Achtergrond Bij een ziekenhuisopname is het belangrijk  dat de voedingsstatus van ouderen optimaal is om (het  risico op) ondervoeding te voorkomen. Tijdig screenen  en inzetten van interventies bij (risico op) ondervoeding  is hierbij essentieel, waarbij de periode voor en na ziekenhuisopname kan worden benut. Het doel van deze  studie is het ontwikkelen van een effectieve multicomponent verpleegkundige interventie om ondervoeding  bij ouderen te voorkomen welke specifiek gebruikt kan  worden voor en na ziekenhuisopname in de wijkzorg.

Methode Een mixed methods benadering waarbij werd  samengewerkt met onderzoekers, experts, professionals  zoals verpleegkundigen en diëtisten, patiënten en hun  mantelzorgers. Hierbij werden de herziene richtlijnen  voor het ontwikkelen en evalueren van complexe interventies van de New Medical Research Counsil (MRC)  gevolgd, inclusief het identificeren van bestaand bewijs  d.m. v. een systematic review, het identificeren en ontwikkelen van theorie en het modelleren van proces en  uitkomsten d.m. v. focusgroepen, interviews en een vragenlijst.

Resultaten De interventie start met een screening op  ondervoeding. Bij ouderen zonder risico wordt advies  gegeven om de goede voedingsstatus te handhaven. Bij  ouderen met (risico op) ondervoeding volgt een voedingsplan (inclusief aanvullende dieetvoeding in poedervorm of drinkvoeding) toegespitst op de individuele oudere patiënt waarbij rekening wordt gehouden met  interacterende patiëntfactoren en de ondersteunende  omgeving van de oudere.

Conclusies Een complexe verpleegkundige interventie is  ontwikkeld door het expliciet volgen van de MRC richtlijnen om inzicht te krijgen in de werkingsmechanismen  van de interventie. Deze kan worden gebruikt om voor  en na ziekenhuisopname ondervoeding te voorkomen  bij niet-geïnstitutionaliseerde thuiswonende ouderen.

S9.3
Op weg naar meer zelfredzaamheid  in de thuiszorg: de eerste ervaringen met  ‘Blijf Actief Thuis

S.F. Metzelthin1, G.A.R. Zijlstra1, J.M. de  Man-van Ginkel2, E. van Rossum3, G.I.J.M. Kempen1
1  Maastricht University, Maastricht, Nederland
2  University Medical Center Utrecht, Utrecht, Nederland
3  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland

Achtergrond Ofschoon de participatie in dagelijkse activiteiten voor ouderen van groot belang is voor het behoud  van zelfredzaamheid en het zelfstandig kunnen blijven  wonen, zijn veel thuiszorgmedewerkers geneigd om taken over te nemen. Om verpleegkundigen en verzorgenden (V&V) en medewerkers hulp bij het huishouden  (HbH) te ondersteunen bij het bevorderen van zelfredzaamheid is het ‘Blijf Actief Thuis’ programma ontwikkeld bestaande uit een kick-off bijeenkomst, intervisiebijeenkomsten, nieuwsbrieven en een boostersessie.

Methode Tussen november 2015 en juli 2016 is Blijf  Actief Thuis bij 1 team V&V (n=7) en 2 teams HbH  (n=26) in een pilotstudie getest. Een mixed-methods  design is toegepast om de eerste ervaringen met Blijf  Actief Thuis in kaart te brengen.

Resultaten Van de 33 medewerkers die uitgenodigd zijn  voor deelname aan de pilotstudie, waren 20 (61%) aanwezig tijdens de kick-off en 18 van hen stemden in met  deelname aan het onderzoek (gemiddelde leeftijd: 43,7  jaar). Zes maanden na de kick-off waren kleine positieve  veranderingen zichtbaar op kennis, self-efficacy en uitkomstverwachtingen m.b.t. het stimuleren van zelfredzaamheid. Vooral de praktische insteek van ‘Blijf Actief  Thuis’ en de uitwisseling van ervaringen met collega’s  werden door medewerkers erg gewaardeerd. Over het  algemeen was het scholingsprogramma praktisch goed  uitvoerbaar. De geïdentificeerde succesverhalen en barrières worden als input gebruikt voor het aanbieden van  de scholing in de toekomst.

Conclusies De eerste ervaringen met Blijf Actief Thuis  zijn positief. Op dit moment loopt een ‘early’ trial en is  een grootschalige trial in voorbereiding.  Derde ronde workshop en symposia

W2
Waardigheid en trots: persoonsgerichter werken  met behulp van zorgleefplannen 

S. van der Weegen

Vilans/Waardigheid en trots, Utrecht, Nederland

In 2015 is het programma Waardigheid en trots, ruimte  voor verpleeghuizen gestart. In het plan van aanpak is  beschreven dat ‘goede zorg voor ouderen in verpleeghuizen in essentie draait om maximaal behoud van zelfrespect en kwaliteit van leven. Zorg die aansluit bij de  wensen en mogelijkheden van de cliënt, met warme betrokkenheid van familie en naasten: waardigheid. Zorg  die met plezier geleverd wordt door gemotiveerde verzorgenden, verpleegkundigen en behandelaars. Zorg  die voldoet aan hun beroepsstandaard geleverd in een  beschermde woningomgeving, waar sprake is van: (beroeps)trots. Dat zijn de sleutelelementen voor liefdevolle  zorg voor onze ouderen.‘  In deze workshop nemen we de deelnemers aan de  hand van goede voorbeelden van verschillende ouderenzorgorganisaties mee in het proces van een cliënt  kennen naar zorg die hier optimaal bij aansluit. Hoe  krijg je een goed beeld van de wensen en behoeften van  cliënten? Kent u de cliënten die in uw organisatie wonen? Weet u wat op dit moment het belangrijkst voor  hen is in hun leven? Is veel van iemand weten hetzelfde als iemand kennen? Wat doet u met deze informatie?  En hoe zorgen andere organisaties ervoor dat het proces  verder gaat van de cliënt kennen naar het vastleggen in  een zorgleefplan en het daadwerkelijk handelen naar en  evalueren van de gemaakte afspraken.

S10
Mensgerichte ouderenzorg 

Voorzitters:  K. Luijkx1, G.Westerhof2
1  Tilburg University, Tilburg, Nederland
2  Universiteit Twente, Enschede, Nederland

Het is een universele wens van mensen om als uniek individu gehoord, gezien en gerespecteerd te worden. Bovendien willen mensen graag zoveel mogelijk het leven  leiden zoals zij dat willen en zoals zij dat gewend zijn.  Dat geldt ook voor ouderen, ook als zij aangewezen zijn  op zorg en ondersteuning van anderen. Om dat te realiseren wordt in de ouderenzorg gestreefd naar mensgerichte zorg. Daarbij worden zorgontvanger en zorgverlener beide gezien als volwaardige en actieve individuen  die samen doelen vast stellen en daar samen zo goed  mogelijk naar streven, in een context die daarvoor faciliterend is. In dit symposium worden vier presentaties  gegeven die laten zien op welke wijze wetenschappelijk  onderzoek bij kan dragen aan het realiseren van mensgerichte ouderenzorg in de praktijk. De eerste bijdrage  bevraagt ouderen in de somatische zorg naar de ervaring van autonomie, verbondenheid en competentie  en de relatie hiervan met welbevinden over de tijd. De  tweede bijdrage stelt het cliëntperspectief van ouderen  centraal op liefde, intimiteit en seksualiteit bij mensen  in de psychogeriatrie en hun partners. De derde bijdrage onderzoekt de eigen regie in het verpleeghuis door  ouderen met een somatische zorgvraag en hun zorgverleners te schaduwen tijdens de alledaagse zorgverlening.  De vierde bijdrage onderzoekt een mensgerichte interventie, het online levensalbum bij mensen met beginnende dementie.

S10.1
Longitudinale relaties van autonomie, verbondenheid en competentie met het welbevinden van  bewoners van woonzorgcentra 

N. Kloos1 , H. Trompetter1,2, E. Bohlmeijer1,3,  G. Westerhof1
1 Universiteit Twente, Enschede, Nederland
2 Tilburg University, Tilburg, Nederland
3  North-West University, Vanderbijlpark, Zuid Afrika

Achtergrond De zelfdeterminatietheorie stelt dat de vervulling van de behoefte aan autonomie, verbondenheid  en competentie samenhangt met een hoger subjectief  welbevinden. Dit is de eerste studie die deze relatie test  bij bewoners van woonzorgcentra in een longitudinale  studie, waarbij ook wordt gekeken of de balans tussen de  drie behoeften belangrijk is voor welbevinden.

Methode 128 bewoners (gemiddelde leeftijd 85 jaar) van  de somatische afdelingen van vier woonzorgcentra namen deel aan deze longitudinale studie. Zelfgerapporteerde vervulling van de drie psychologische basisbehoeften werd gemeten op T0 en depressieve gevoelens  en levenstevredenheid vijf tot acht maanden later. Er  werd een score berekend van de balans tussen de vervulling van de drie behoeften.

Resultaten De drie behoeften waren gecorreleerd met  depressieve gevoelens, hoewel deze correlatie sterker  was voor autonomie dan voor verbondenheid. Een totaalscore van behoeftenvervulling had een verband met  depressieve gevoelens door de tijd, maar alleen bij autonomie en competentie was dit verband uniek. De drie  behoeften waren gecorreleerd met levenstevredenheid,  maar alleen bij autonomie was deze correlatie uniek. De  balansscore had een verband met welbevinden, zelfs als  werd gecontroleerd voor scores van autonomie en verbondenheid.

Conclusie De resultaten bevestigen dat de drie psychologische basisbehoeften belangrijk zijn voor het welbevinden van bewoners van woonzorgcentra en dat een hoge  vervulling van één behoefte niet kan compenseren voor  een lage vervulling van een andere behoefte. De ondersteuning van de behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie zou daarom een centrale rol moeten krijgen in persoonsgerichte zorg.

S10.2
Het clientperspectief in onderzoek naar liefde,  intimiteit en seksualiteit in psychogeriatrische  verpleeghuiszorg 

T.S.M. Roelofs1,2, K.G. Luijkx1, P.J.C.M. Embregts1,3
1  Stichting Schakelring, Waalwijk, Nederland
2  Tilburg University, Tilburg, Nederland
3  Dichterbij Behandelinnovatie en wetenschap

Achtergrond In het (internationale/wetenschappelijk) onderzoek naar liefde, intimiteit en seksualiteit bij  PG-cliënten en hun partners, is het cliëntperspectief tot  nu toe niet belicht geweest. Dit is opmerkelijk, gezien  de persoonlijke aard van deze onderwerpen, maar ook  de voorstelbare invloed die het hebben van dementie en  het (gescheiden) wonen binnen een verpleeghuis hierop  kunnen hebben. Het centraal stellen van het cliëntperspectief was het belangrijkste doel van deze studie en de  manier waarop dit is vorm gegeven is de aanleiding voor  deze presentatie.

Methode Er heeft een kwalitatief onderzoek plaatsgevonden, waarbij voor design en analyse gebruik is gemaakt van de Interpretative Phenomenological Analysis (IPA) methode. Daarnaast was echter gedegen  voorbereiding nodig, om deze doelgroep zelf aan het  woord te laten, zeker gezien het thema. Hierin zijn ethische, methodologische en praktische overwegingen aan  de orde geweest, die in daadwerkelijke co-creatie (intensieve samenwerking) tussen wetenschap en praktijk  zijn belicht.

Resultaten In totaal hebben er 17 interviews plaatsgevonden met PG cliënten, met partners van PG cliënten en met koppels samen. DIt leverde rijke, kwalitatieve data op, die door middel van de IPA methode is  geanalyseerd. Hieruit kwamen ervaringen naar voren,  maar ook de manier waarop mensen deze ervaringen  plaatsen in hun verhaal over het hebben van dementie,  of een partner met dementie, en het leven in een verpleeghuis of met een partner die in een verpleeghuis  woont.

Conclusies Het centraal stellen van het clientperspectief,  in het onderzoek naar liefde, intimiteit en seksualiteit bij  PG-clienten en hun partners vergt uitgebreide voorbereiding, waarin praktijk en onderzoekers intensief samenwerken. Het blijkt echter zeer de moeite waard, omdat de rijke informatie voor zowel vervolgonderzoek, als  klinische praktijk van waarde kunnen zijn.

S10.3  Persoonsgerichte praktijkvoering rondom eigen  regie van ouderen in de somatische  langdurende intramurale zorg

J.M.C. van Loon1,2,3, K.G. Luijkx2, A.H.P.M. de Rooij1, B.M. Janssen3
1  De Wever, Tilburg, Nederland
2  Tilburg University, Tilburg, Nederland
3  Fontys Hogeschool voor Mens en Gezondheid,  Eindhoven, Nederland

Achtergrond In het landelijke beleid en in het beleid van  veel zorgorganisaties staat eigen regie van ouderen centraal, ook als zij in een zorginstelling wonen. Persoonsgerichte zorg en praktijkvoering kan ondersteunend zijn  voor het voeren van eigen regie. Het wordt gezien als een  vorm van professioneel handelen waarin zorgontvangers als gelijkwaardige en actieve individuen worden gezien. In samenwerking zorgen zorgverlener en zorgontvanger ervoor dat de zorgontvanger zoveel mogelijk het  leven kan leiden dat zij/hij wenst. De zorgmedewerker is  zich bewust van de persoon van de cliënt, zichzelf en de  zorgrelatie. Persoonsgerichte praktijkvoering blijkt in de  praktijk echter niet eenvoudig te zijn. In deze bijdrage  geven we daarom antwoord op de volgende vraag: hoe  voeren ouderen met een somatische aandoening die in  een verpleeghuis leven eigen regie en op welke manier  ondersteunen afdelingsmedewerkers deze.

Methode Door middel van shadowing zijn 17 ouderen  en 17 medewerkers op twee afdelingen gedurende een  dag gevolgd. Er zijn aanvullende interviews gehouden  voor verduidelijking en verdieping. Met behulp van het  raamwerk van persoonsgerichte praktijkvoering van  McCormack en McCance zijn de uitkomsten gecodeerd  door vier onderzoekers waarbij de hoofdonderzoeker  co-codeersessies had met de drie mede-onderzoekers.  De codes worden met behulp van atlas-ti geanalyseerd.

Resultaten Regievoering door ouderen en de interactie daaromtrent tussen oudere en zorgverlener wordt  toegelicht aan de hand van drie casussen die hiervoor  exemplarisch zijn.

Conclusie Het realiseren van persoonsgerichte praktijkvoering blijkt een grote uitdaging te zijn voor ouderen  en afdelingsmedewerkers. Onze resultaten geven een  eerste inzicht, maar dit onderwerp verdient zeker nader  onderzoek.

S10.4
Het Online Levensalbum: Een reminiscentie-interventie voor mensen met beginnende dementie en  hun mantelzorgers 

T.R. Elfrink, C. Ullrich, G.J. Westerhof

Universiteit Twente, Enschede, Nederland

Achtergrond Reminiscentie – het ophalen en herbeleven  van waardevolle herinneringen – kan positief bijdragen  aan de kwaliteit van leven van mensen met dementie.  Herinneringen zijn opgeslagen in het autobiografisch  geheugen, een deel van het geheugen dat bij mensen  met dementie relatief lang in tact blijft. Levensalbums  waarin samen met de patiënt zelf herinneringen worden  vastgelegd kunnen dit proces ondersteunen. Het Online  Levensalbum is een mensgerichte reminiscentie-interventie die goed aansluit bij de veranderingen in de zorg  voor personen met dementie.

Methode Een case-study geeft inzicht over het maakproces, de waarde en ervaringen met het Online Levensalbum. Er is een inhoudsanalyse van het boek gemaakt en  er zijn interviews gehouden met de betrokken stakeholders: de deelnemer, diens mantelzorger, de vrijwilliger  en de zorgprofessional.

Resultaten Het boek bevat een breed scala aan positieve  herinneringen aan familie, thuis en vakantie, die vooral met foto’s geïllustreerd worden. De interviews laten  zien dat alle betrokkenen een toegevoegde waarde zien  in het Online Levensalbum. De deelnemers, mantelzorgers en vrijwilligers hebben het maken van het Online  Levensalbum als positief ervaren. De zorgprofessional  benoemt mogelijkheden het als een instrument voor  persoonsgerichte zorg in te zetten.

Conclusie Deze eerste case-study heeft inzicht gegeven  in zowel het maakproces als het gebruik van het Online  Levensalbum. De studie bevestigt dat het betrekken van  de persoon met dementie en de inzet van vrijwilligers  realistisch en waardevol is. Ook laat het de toegevoegde waarde in verschillende contexten zien, zoals in de  thuissituatie en in een zorgsetting.

S11
De inzet van technologie bij ouderen; veelbelovend  maar niet vanzelfsprekend 

Voorzitters:  R. Verwey1, M. Heijblom2
1  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland
2  Saxion University of Applied Sciences, Enschede,  Nederland

De hervormingen in de zorg,– en welzijnssector zijn de  aanleiding om de ondersteuning van ouderen zoveel  mogelijk in de eigen leefomgeving te laten plaatsvinden. Daarnaast wordt gestreefd naar actief burgerschap  waarin een groot appèl wordt gedaan op zelfredzaamheid en een gezonde leefstijl. De inzet van technologie  wordt gezien als een veelbelovende ontwikkeling om dit  mogelijk te maken. Uit de jaarlijks terugkerende eHealth  monitor van Nivel/Nictiz blijkt echter dat er weliswaar  steeds meer gebruik gemaakt wordt van allerlei vormen  van technologie, maar dat de beloftes ten aanzien van  technologie nog niet worden waargemaakt. Er is meer  aandacht nodig voor de maatschappelijke innovatie om  deze potentie wel te benutten. Aspecten die hierbij van  belang zijn betreffen o. a. de samenwerking tussen ouderen, mantelzorgers en zorgprofessionals, kennisdeling, en een optimale implementatie van het gebruik van  technologie in het zorgproces. In dit symposium worden vier projecten gepresenteerd waarin het gebruik van  technologie bij ouderen centraal staat. De eerste twee  projecten gaan in op allerlei vormen van technologie in  de zorg voor mensen met dementie en de samenwerking  tussen formele en informele zorg. De daaropvolgende  twee projecten doen verslag van het gebruik van technologie om bewegen bij ouderen te stimuleren.

S11.1
Bruikbaarheid en haalbaarheid  van het digitale platform  Netwerkondersteuning Dementie 

R. Verwey1, A.B.C.G. Boessen2, S. Duymelinck1, E. van Rossum1
1  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland
2  Flychatcher Internet Research, Maastricht, Nederland

Achtergrond Er is een samenhangend aanbod van toepassingen en diensten ontwikkeld voor mantelzorgers  en zorgprofessionals van mensen met dementie in de  vorm van een digitaal platform. Dit platform beoogt de  samenwerking en communicatie binnen en tussen het  informele en professionele netwerk te versterken, waardoor mensen met dementie langer en onder betere omstandigheden thuis kunnen blijven wonen. We testten  de bruikbaarheid en haalbaarheid van het platform.

Methode Twee opeenvolgende mixed methods procesevaluatiestudies van tien weken, met inbegrip van semi-gestructureerde interviews, een procesevaluatie  vragenlijst en monitoring van loggegevens. Bij de bruikbaarheidsstudie waren vier netwerken betrokken van  thuiswonende mensen met dementie (zeven mantelzorgers en 32 zorgprofessionals) en bij de haalbaarheidsstudie 26 netwerken (31 mantelzorgers en 32 zorgprofessionals).

Resultaten In de bruikbaarheidsstudie werd het platform gewaardeerd vanwege gebruiksvriendelijkheid en  positieve invloed op de communicatie en samenwerking bij de zorg voor de persoon met dementie. Deze  resultaten werden niet bevestigd in de daaropvolgende  grotere haalbaarheidsstudie. Deelnemers zagen weliswaar de meerwaarde, maar maakten er tegelijkertijd  maar weinig gebruik van. Daarbij waren aan aantal factoren van invloed: de introductie van het platform onder  de gebruikers, verschil van inzicht over wie de regierol  binnen het platform op zich moet nemen en de belemmering voor zorgprofessionals dat zij in twee systemen  moesten registreren (zowel op het platform als in het eigen zorgregistratiesysteem).

Conclusie Het platform kan bijdragen aan de communicatie en samenwerking tussen mantelzorgers en  zorgprofessionals vermits het gebruik goed wordt geïntroduceerd en het platform gekoppeld wordt aan de  zorgregistratiesystemen van de zorgprofessionals.

S11.2
Ouderen houden regie met technologie: leren  met en van elkaar 

M. Heijblom, M.J. Uitdehaag, K. van Heerde, J. S. Jukema

Saxion University of Applied Sciences, Enschede, Nederland

Achtergrond Technologie kan helpen om ouderen en  mensen met dementie langer thuis te laten wonen. Toch  leven er nog veel vragen die een optimale toepassing van  technologie in de weg staan. Daarnaast speelt de samenwerking tussen de oudere, mantelzorger, verpleegkundige en wijkcoach een cruciale rol bij een succesvolle implementatie. Ondersteuning is echter vaak maar op één  van deze afzonderlijke groepen gericht.

Methode Er is een cursus opgezet en verzorgd waarin  ouderen, mantelzorgers, verpleegkundigen en wijkcoaches met en van elkaar leren om de inzet van technologie voor ouderen en/of mensen met dementie thuis te  bevorderen. De cursus bestaat uit acht bijeenkomsten,  waarin de cursisten in gemengde groepen op zoek gaan  naar passende technologie voor een specifieke casus. Aspecten die aan de orde komen, zijn: technologie vinden;  technologie afstemmen op de gebruiker; implementatie  van technologie in de thuissituatie; wetgeving; en ethiek.

Resultaten De cursus heeft twee keer in pilotvorm  plaatsgevonden in een wijkgebouw. In totaal hebben 37  personen (ouderen, vrijwilligers, mantelzorgers, verpleegkundigen, wijkcoaches en technisch medewerkers)  de cursus om verschillende redenen gevolgd. Ouderen,  verpleegkundigen en wijkcoaches gaven aan graag meer  handvatten te krijgen, terwijl technische medewerkers  aangaven geïnteresseerd te zijn in vragen die leven bij de  doelgroep. Alle deelnemers waren positief over het werken in gemengde groepen en de meerderheid gaf aan het  geleerde in de praktijk te zullen gaan gebruiken.

Conclusies Het is waardevol om ouderen, mantelzorgers  en formele en informele zorgverleners samen te brengen  in een cursus om de inzet van technologie voor ouderen  en mensen met dementie te optimaliseren.

S11.3
Get moving! mHealth voor zelfmanagement  ondersteuning van ouderen met een chronische  aandoening 

R. Verwey1 , S. van der Weegen2, M. Spreeuwenberg1,3, H.Tange3, T. van der Weijden3, L. de Witte4
1  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland
2  Vilans, Utrecht, Nederland
3  Maastricht University, Maastricht, Nederland
4  Sheffield University, Sheffield, Verenigd Koninkrijk

Achtergrond Gebrek aan beweging is een gezondheidsprobleem dat veel voorkomt bij ouderen met een chronische ziekte. It’s LiFe! is een blended interventie, bestaande uit een tool (bewegingsmeter in combinatie met  een app en een website) ingebed in een zelfmanagementondersteunings-programma, waarmee de POH patiënten met COPD of type-2-diabetes kan stimuleren meer  te gaan bewegen. Onderzocht werd of de interventie  leidt tot meer fysieke activiteit in vergelijking met gebruikelijke zorg, en wat de toegevoegde waarde is van  de tool bovenop het zelfmanagementondersteuningsprogramma.

Methode Cluster gerandomiseerd onderzoek met 24  huisartsenpraktijken willekeurig verdeeld in drie (interventie)armen. Deelnemers waren patiënten van 40–70  jaar met COPD of type-2-diabetes (n=199). Patiënten  van de praktijken in groep 1 (n=65) kregen de complete  interventie inclusief tool; deelnemers in groep 2 kregen  alleen het zelfmanagementondersteuningsprogramma;  deelnemers in groep 3, de controlearm, kregen de gebruikelijke zorg. Primaire uitkomstmaat: dagelijks aantal minuten matig intensieve fysieke activiteit (≥3 MET)  bij aanvang, 4–6 maanden na de start en 3 maanden na  afloop van de interventie.

Resultaten Zes maanden na de start bewogen de deelnemers in groep 1, 12 minuten meer dan die in groep  3, en 8 minuten meer dan die in groep 2. Drie maanden  na afloop van de interventie waren deze verschillen nog  respectievelijk 11 en 9 minuten. Alle verschillen waren  significant (p<0,01).

Conclusie It’s LiFe! is effectief voor het bevorderen van  fysieke activiteit bij mensen met COPD of type 2 diabetes tussen de 40 en 70 jaar oud. Extra begeleiding door  de POH zonder de tool is niet effectiever dan gebruikelijke zorg.

S11.4
Meer bewegen met uw Smartphone; de ontwikkeling van een keuzewijzer beweeg-apps 

R. Verwey1, J. Heijkers1, N. Spierts1, M. Spreeuwenberg1,2
1  Zuyd Hogeschool, Heerlen, Nederland
2  Maastricht University, Maastricht, Nederland

Achtergrond Het gebruik van bewegingsmeters is bewezen effectief bij de ondersteuning van meer bewegen. Iedere moderne Smartphone heeft tegenwoordig een ingebouwde bewegingsmeter. Soms gekoppeld aan een app  om de leefstijl in beeld te brengen of anders kan hiervoor een aparte app gedownload worden. Ouderen zijn  in toenemende mate in het bezit van een Smartphone,  maar de mogelijkheden van beweeg-apps om hen te ondersteunen bij het bereiken van een actieve leefstijl zijn  nog onvoldoende bekend.

Methode In een iteratief co-creatie proces met een panel  ouderen van de KBO is een keuzewijzer beweeg-apps  ontwikkeld. Na verkenning van de literatuur en online  reviews, zijn aspecten die voor de keuze van een beweeg-app van belang zijn in kaart gebracht. Na afstemming over deze aspecten met het panel, zijn beweegapps gezocht in app-stores en op clearinghouse websites.  Vervolgens zijn de gekozen apps beschreven en getest,  waarna de keuzewijzer opnieuw is voorgelegd aan het  panel.

Resultaten Er is een keuzewijzer ontwikkeld waarin zes  Nederlandstalige gratis te downloaden beweeg-apps  zijn opgenomen geschikt voor iOS én Android telefoons. (http://www.eizt.nl/beweeg-apps) Er staan enkel  beweeg-apps in de keuzewijzer die positief beoordeeld  zijn op gebruiksgemak; er is gekeken naar navigatie  (eenvoud, hoeveelheid benodigde klikken) en naar design (grootte van de knoppen en kleurcontrast).

Conclusie Er is een digitaal toegankelijke eenvoudige  keuzewijzer voor beweeg-apps ontwikkeld in samenspraak met ouderen. In een vervolgtraject zal bij diverse huisartspraktijken in Limburg de keuzewijzer door  praktijkondersteuners onder de aandacht gebracht worden. Op basis van de ervaringen met het gebruik zal de  keuzewijzer verder ontwikkeld en verbeterd worden.

S12
Goede preventieve ouderenzorg: waar liggen kansen  en mogelijkheden voor verbetering? 

Voorzitters:  S. de Bruin1, K. Wynia2
1  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  (RIVM), Bilthoven, Nederland
2  Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Nederland

Het aantal ouderen in Nederland groeit en ook het aantal kwetsbare ouderen neemt hierdoor toe. Het huidige beleid is erop gericht om ouderen te stimuleren zo  lang mogelijk thuis te blijven wonen en te functioneren  met hulp vanuit eigen sociaal netwerk en met zorg en  ondersteuning in de buurt. Ouderen kunnen problemen krijgen op het gebied van gezondheid, welzijn en  wonen. Diverse initiatieven zijn in gang gezet om deze  problemen bij ouderen uit te stellen of te voorkomen,  waardoor zij mogelijk langer zelfstandig kunnen blijven  functioneren en wonen. Voorbeelden van dergelijke initiatieven op het gebied van preventieve ouderenzorg zijn  vroegsignalering bij (kwetsbare) ouderen en regionale geïntegreerde ouderenzorgprogramma’s. In dit soort  initiatieven streeft men naar het centraal zetten van de  behoeften en mogelijkheden van ouderen en betere samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen die preventie, zorg en welzijn bieden. Met deze initiatieven beoogt men zowel de gezondheid van ouderen  en de kwaliteit van zorg te verbeteren, als de kostengroei  te beheersen. De eerste presentatie van dit symposium  gaat in op belangrijke elementen van goede preventieve ouderenzorg. De tweede presentatie gaat over hoe samenwerking en afstemming rondom vroegsignalering  bij kwetsbare ouderen kunnen worden vormgegeven en  verbeterd. In de derde presentatie geven we de ervaringen rondom SamenOud, een geïntegreerd programma  voor preventieve en proactieve zorg en begeleiding van  thuiswonende ouderen zoals dat geïmplementeerd is in  het noorden van Nederland, weer. Na de presentaties  gaan we graag met de aanwezigen in discussie over hoe  preventieve ouderenzorg verder verbeterd kan worden.

S12.1
Goede preventieve ouderenzorg:  welke elementen zijn van belang? 

L.C. Lemmens, G.C.M. Herber, A. Blokstra,  M.L. Rietman, S.H. van Oostrom, A.M.W. Spijkerman

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven, Nederland

Achtergrond De behoeften van zelfstandig wonende ouderen variëren enorm. De ene oudere is nog vitaal en  onafhankelijk terwijl de andere niet meer mobiel is en  dagelijks zorg nodig heeft. Het is belangrijk dat in het  aanbod van preventieve ouderenzorg voldoende rekening wordt gehouden met deze variatie. Het doel van  het onderzoek was om te inventariseren wat belangrijke  elementen van goede preventieve ouderenzorg zijn en  wat voor welk type oudere nodig is.

Methode Het onderzoek bestond uit een literatuurstudie  naar preventieve interventies voor vier verschillende typen ouderen: vitaal, met verhoogd risico op kwetsbaarheid, kwetsbaar en zeer kwetsbaar. Hierbij onderscheiden we drie domeinen waarop interventies zich kunnen  richten: lichamelijke en psychische gesteldheid van het  individu, sociale omgeving en woonomgeving. Vervolgens zijn interviews gehouden met professionals vanuit de eerstelijnszorg, het welzijnswerk, de GGD, de gemeente, het onderzoek, de ouderenvertegenwoordiging,  BeterOud en de woonsector (n=29 respondenten).

Resultaten Belangrijke elementen van goede preventieve  ouderenzorg zijn het werken vanuit een integrale visie,  de inzet van een coördinator of ‘spil’ die signalen bundelt en doorzet, het optimaliseren van de redzaamheid  van ouderen, de inzet van een casemanager en eventueel een specialist ouderengeneeskunde voor al kwetsbare ouderen en begeleiding na ontslag uit het ziekenhuis.  Daarnaast zijn het inventariseren van behoeften van ouderen, het bieden van zingevingsactiviteiten, het laagdrempelig ontsluiten van informatie over ondersteuningsmogelijkheden en het zorgen voor maatwerk van  belang.

Conclusies Preventieve ouderenzorg moet voor alle  groepen ouderen en op alle domeinen ingezet worden.  Hierbij zijn maatwerk, een integrale werkwijze en het  betrekken van de ouderen zelf cruciaal.

S12.2
Samenwerking en afstemming rondom vroegsignalering: waar liggen verbeterpunten? 

L.C. Lemmens, Y. Buist, M. Kooistra, S.R. de Bruin

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  (RIVM), Bilthoven, Nederland

Achtergrond De afgelopen jaren zijn diverse initiatieven  rondom vroegsignalering gestart om ouderen die risico  lopen om kwetsbaar te worden, proactief op te sporen  en een preventief aanbod van zorg en ondersteuning te  bieden. Vroegsignalering kan vanuit verschillende settings worden aangeboden. Eerder onderzoek laat echter  zien dat de verschillende partijen onvoldoende met elkaar samenwerken en afstemmen. Hierdoor werken zij  langs elkaar heen en sporen zij allemaal op hun eigen gebied risico’s en problemen op zonder deze informatie te  delen. Het gevolg is dat ouderen door verschillende instanties benaderd worden en van persoonsgerichte zorg  veelal geen sprake meer is. Het doel van het onderzoek  was om te bekijken wat er nodig is om deze samenwerking en afstemming te verbeteren.

Methode Het onderzoek bestond uit literatuuronderzoek, een inventarisatie van goede voorbeelden en interviews. Interviews werden gehouden met gemeenten,  zorgverzekeraars, professionals uit zorg en welzijn, ouderenvertegenwoordigers en onderzoekers, al dan niet  betrokken bij een goed voorbeeld.

Resultaten Samenwerking en afstemming rondom  vroegsignalering bij kwetsbare ouderen worden op verschillende manieren en niveaus (bestuurlijk, wijk- en  huisartsenpraktijkniveau) vormgegeven. Specifieke partijen worden benoemd die (ook) betrokken moeten  worden, zoals gemeenten en zorgverzekeraars. Daarnaast pleiten respondenten voor het aansluiten van initiatieven rondom vroegsignalering bij al bestaande samenwerkingsverbanden en overlegstructuren tussen  betrokken partijen. Ook moet men de verbinding zoeken tussen het medische en sociale domein.

Conclusies De samenwerking en afstemming rondom  vroegsignalering zijn op verschillende plekken in Nederland al goed tot stand gekomen. Deze voorbeelden  maken de mogelijkheden en opbrengsten inzichtelijk  maar geven ook aanknopingspunten voor verdere verbetering.

S12.3
SamenOud, SamenVerder?  Resultaten van preventieve, proactieve,  persoonsgerichte en geïntegreerde ouderenzorg  voor thuiswonende 75-plussers 

S.L.W. Spoorenberg, K. Wynia, M. Jager, C.J. Ronde

Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Nederland

Achtergrond SamenOud is een preventief, proactief, persoonsgericht en geïntegreerd zorgmodel voor thuiswonende 75-plussers, gebaseerd op het Chronic Care Model en de Kaiser Permanente Triangle. Het doel is dat  ouderen zo lang en zo prettig mogelijk zelfstandig thuis  kunnen blijven wonen. Op basis van antwoorden op de  jaarlijkse vragenlijst worden ouderen ingedeeld in een  risicoprofiel. Een multidisciplinair team biedt zorg en  begeleiding op maat, waarbij de intensiteit en de focus  afhangt van het risicoprofiel van de oudere.

Methoden Met verschillende kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn de uitkomsten van SamenOud voor de ouderen, kwaliteit van zorg, zorggebruik en kosten geanalyseerd.

Resultaten Het aantal en de ernst van gezondheidgerelateerde problemen gerapporteerd door ouderen was na  12 en 24 maanden blijvend afgenomen. Uit interviews  bleek dat ouderen zich veilig, geborgen en meer in controle voelden door SamenOud. Uit interviews met professionals bleek dat zij door de langdurige contacten beter konden aansluiten bij de wensen en behoeften van  ouderen en daardoor vroegtijdig konden ingrijpen. Uit  de RCT bleek dat SamenOud na een jaar nog niet leidde tot meetbare voordelen in gezondheid, welbevinden  en zelfmanagementvermogen van ouderen. Wel was er  een verbetering te zien in de kwaliteit van zorg. De kosten bleven na een jaar gelijk. Uit de langetermijnstudie  bleek dat de kosten ook na drie jaar nog gelijk bleven,  maar dat de individuele begeleiding nog niet alle ouderen in voldoende mate bereikte.

Conclusies Overall zijn de uitkomsten van SamenOud  gunstig. Geïntegreerde zorg en begeleiding voor thuiswonende ouderen kan daarom – met enige voorzichtigheid – aangeraden worden.

S13
Veerkracht bij ouderen: wederkerige relaties tussen  sociaal functioneren en lichamelijk, cognitief en  emotioneel functioneren binnen de LASA studie 

Voorzitter:  B. Suanet

Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Het sociale functioneren van ouderen staat niet op zichzelf. We weten uit eerder onderzoek dat fysiek, cognitief en emotioneel functioneren dit beïnvloeden. In de  Longitudinal Ageing Study Amsterdam wordt al 25 jaar  (longitudinale) data verzameld over deze vier domeinen  van functioneren. Daarmee is de studie bij uitstek geschikt om vragen over de afhankelijkheid van domeinen  van functioneren in de ouderdom te onderzoeken. In  dit symposium brengen we verbanden tussen het sociale domein enerzijds, en de andere drie domeinen van  functioneren anderzijds beter in kaart. We vragen ons  hierbij af of er niet alleen samenhang is tussen domeinen, maar ook sprake causaliteit is:, veranderingen in  functioneren in een domein leiden tot veranderingen in  een ander domein. De eerste studie gaat over verklaringen van veerkracht bij ouderen met een lage sociaaleconomische positie in de verschillende domeinen van  functioneren. De tweede studie gaat over hoe sociale  netwerken de gezondheid van ouderen beïnvloeden, en  vice versa. In de derde studie kijken we naar welke factoren de relatie tussen ontvangen sociale steun en functionele capaciteit verklaren.

S13.1
Veerkracht bij ouderen met een lage  sociaal-economische status: kwalitatieve interviews

A.A.L. Kok1  , F. Van Nes2  , D.J.H. Deeg3  ,  G.A.M. Widdershoven3  , M. Huisman1
1  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland
2  Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Nederland
3  VUmc, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Sociaaleconomische gezondheidsverschillen bij ouderen zijn groot en persistent. Maar ze worden ook eenzijdig belicht. Sommige ouderen blijven tot  op hoge leeftijd fysiek, mentaal en sociaal goed functioneren, ondanks een levenslang lage sociaaleconomische  positie (SEP). Wij onderzochten vanuit het perspectief  van ouderen zelf welke elementen bijdragen aan zulke  ‘veerkracht’.

Methode We hielden semi-gestructureerde interviews  met 11 ouderen (78+) die sinds 1992 deelnamen aan de  Longitudinal Aging Study Amsterdam. Volgens kwantitatieve criteria hadden zij een lage SEP én een hoge score  op een multidimensionele ‘Successful Aging index’, gebaseerd op trajecten van functioneren gedurende 1992–  2008. De getranscribeerde interviews werden geanalyseerd op basis van de Grounded Theory-methode.

Resultaten Zes elementen droegen bij aan veerkracht:  a) Steun ontlenen aan sociale contacten, waaronder instrumentele en emotionele steun en een gevoel van verbondenheid. b) Voldoening halen uit jongere generaties, door hun carrièreprestaties te stimuleren of kennis  door te geven. c) Acties ondernemen om je aan te passen aan je levensomstandigheden of deze te verbeteren,  waaronder zuinig zijn of zelfontplooiing. d) Het belang  van SEP in perspectief plaatsen, door je eigen vaardigheden te waarderen, andere aspecten dan SEP belangrijk te vinden in het leven, en algemene verbeteringen  in de levensstandaard te benadrukken. e) Doorzetten bij  tegenslag, gesteund door het geloof, en f) Je neerleggen  bij tegenslag.

Conclusies Er is veel voor nodig om succesvol oud te  worden met een lage SEP. Sociale, psychische en maatschappelijke factoren spelen een rol. Het veerkrachtperspectief heeft nieuwe elementen opgeleverd die  aandacht verdienen in vervolgonderzoek, zoals generativiteit, zingeving en ondernemerschap.

S13.2
Sociale netwerken en fysiek, sensorisch  en cognitief functioneren in een 25-jarige  longitudinale studie 

T.G. Van Tilburg, M.I. Broese Van Groenou  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Sociale relaties beschermen tegen het voorkomen van ziekten, slecht fysiek functioneren en vroege  sterfte. Echter, slechte gezondheid verkleint de netwerkomvang en diversiteit door het uitblussen van ondersteuners en het beperken van investeringen in het behouden van relaties. We bestuderen het causale proces  van netwerken naar gezondheid: is het een grote omvang of diversiteit, of dagelijks contact, of een geringe  volatiliteit in de compositie die beschermt? In de causaliteit van gezondheid naar netwerken onderzoeken we  in welke mate fysiek, cognitief en sensorisch disfunctioneren het netwerk aantast.

Methode Er wordt gebruik gemaakt van acht observaties  van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA)  tussen 1992 en 2016. Geïncludeerd zijn 3924 personen  in de leeftijd 55–102. Netwerken bestaan uit maximaal  80 netwerkleden, en diversiteit, dagelijks contact en volatiliteit wordt in een longitudinaal traject vastgesteld.  Gezondheid betreft beperkingen in fysiek functioneren,  cognitief functioneren (MMSE), gehoor, visus en gezondheid in het algemeen.

Resultaten Eerste analyses laten zien dat een groot en  gevarieerd netwerk en een stabiele netwerkcompositie wordt bedreigd in de ouderdom, maar gestimuleerd  wordt door goed fysiek, sensorisch en met name cognitief functioneren.

Conclusies Ouderen met een klein netwerk zijn slecht  beschermd tegen vroege sterfte, ook wanneer gecontroleerd wordt voor fysiek, cognitief en sensorisch functioneren.

S13.3
De sociale netwerk-gezondheid relatie ontsluierd:  hoe beïnvloedt ontvangen sociale steun de functionele capaciteit van ouderen? 

B. Suanet1  , E. Hoogendijk2  , M. Huisman1,2,  M.J. Aartsen3
1  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland
2  VUmc, Amsterdam, Nederland
3  Norwegian Social Research (NOVA), Oslo, Noorwegen

Achtergrond Vele studies stellen dat het ontvangen van  sociale steun gezondheid in de ouderdom beïnvloedt. Er  is echter nog weinig empirisch longitudinaal onderzoek  gedaan naar deze relatie en de mechanismen waardoor  sociale steun gezondheid beïnvloedt. In deze studie bestuderen we in hoeverre fysieke activiteit, depressieve  symptomen en chronische ziekten de relatie tussen sociale steun en functionele capaciteit mediëren.

Methode Data zijn van de Longitudinal Aging Study  Amsterdam (LASA). We bestuderen 954 respondenten  van 75 jaar en ouder. Deze respondenten zijn gevolgd  over een periode van 12 jaar en maken gebruik van latente groeimodellen.

Resultaten Er is slechts één indirect significant effect: het  ontvangen van meer emotionele steun verlaagt depressieve symptomen, en daardoor verbetert de functionele  capaciteit. Het ontvangen van meer instrumentele steun  heeft een negatief direct effect op functionele capaciteit,  terwijl het ontvangen van emotionele steun geen significant direct effect heeft. Modellen met omgekeerde paden zijn ook geschat, maar de model fit daarvan is minder goed.

Conclusies Bevindingen wijzen vooral op het bestaan  van een samenhang tussen sociaal en fysiek functioneren in de ouderdom, eerder dan op een sterk causaal  verband. Ook lijken de effecten op gezondheidsuitkomsten sterk afhankelijk van het type sociale steun dat ontvangen wordt.

S14
Ontwikkeling van beroepspraktijken:  De waarde van toegepast onderzoek 

Voorzitters:  E.C. Schoenmakers, B.M. Janssen

Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid (FHMG),  Eindhoven, Nederland

Organisaties uit diverse sectoren hebben in toenemende mate te maken met een ouder wordende doelgroep.  Zij worstelen met een gezamenlijke vraag over hoe zij in  hun dienstverlening aansluiting kunnen blijven vinden  bij de behoeften van deze heterogene groep. Het blijven  ontwikkelen van de beroepspraktijk(en) voor en met de  doelgroep is daarom van groot belang. Praktijkgericht  onderzoek speelt hierin een essentiële rol.  In dit symposium worden vier praktijkgerichte onderzoeken, welke zijn uitgevoerd door studenten van de  opleidingen Toegepaste Gerontologie van Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid, Eindhoven en Windesheim Hogescholen, Zwolle gepresenteerd. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd bij een woningbouwvereniging,  een gemeente, een zorgorganisatie en een onderwijsorganisatie en laten zien dat onderzoek naast het doel  ‘kennisontwikkeling’ ook het doel ‘ontwikkeling van de  gerontologische beroepspraktijk’ kan dienen.  De eerste presentatie geeft inzicht in de beweegredenen die ouderen hebben om wel of juist niet naar een  levensloopbestendige woning te verhuizen. De tweede  presentatie richt zich op het in kaart brengen van factoren die van belang zijn bij het ontwikkelen van een dementievriendelijke buitenruimte. De derde presentatie  richt zich op de doelgroep ‘ouderen met een verstandelijke beperking’ en richt zich op de vraag wat zij verstaan  onder ‘het goede leven‘. De laatste presentatie betreft een  onderzoek naar de behoeften onder ouderen in de derde  levensfase aan het volgen van gerontologisch onderwijs  op HBO niveau.

S14.1
Beweegredenen voor senioren om wel of niet te  verhuizen naar een levensloopbestendige woning 

B.E. Bekkers

Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid (FHMG),  Eindhoven, Nederland

Achtergrond Binnen woningcorporatie Woningbelang  is de actuele verhuisbereidheid onder 65-plussers laag.  Het totale aantal huurders bestaat voor bijna 40% uit  65-plussers. Een groot gedeelte van deze groep woont  in een eengezinswoning en denkt daarin oud te worden.  De woningcorporatie bouwt levensloopbestendige woningen, waar weinig senioren naartoe verhuizen. Omdat de redenen voor verhuizing niet inzichtelijk zijn, is  onderzocht welke beweegredenen senioren hebben om  wel of niet naar een levensloopbestendige woning te verhuizen.

Methode Semi-gestructureerde interviews zijn afgenomen onder tien respondenten (60 tot 85 jaar). Gesproken werd over de woning, verhuizing, woonomgeving,  woningaanpassingen, levensloopbestendig wonen, de  toekomst en de rol van de woningcorporatie. Vijf respondenten wonen in een levensloopbestendige woning  en vijf in een eengezinswoning.

Resultaten De resultaten laten zien dat er verschillen bestaan in de mate van bewustwording rondom levensloopbestendig wonen en de mate van vooruitdenken. Respondenten die onlangs zijn verhuisd denken vaker  vooruit en houden rekening met eventuele nadelige effecten van ouderdom in de toekomst. Respondenten die  niet van plan zijn om te verhuizen, overwegen dit alleen  wanneer het moet. Gedachten beïnvloeden deze keuze,  ondanks of deze realistisch en kloppend zijn. Belangrijke redenen om wel of niet te verhuizen zijn daarnaast  gelegen in de woonomgeving, sociale omgeving, het  huis zelf en financiën.

Conclusie Dit onderzoek laat zien dat huurders die verhuisd zijn anders denken dan huurders die dat niet zijn.  Beiden baseren hun keuzes anders, doordat zij op verschillende manieren in het leven staan. Mogelijk kan  meer bewustwording en juiste kennis rondom dit thema  dit veranderen.

S14.2
Naar buiten! Onderzoek naar dementievriendelijke  openbare buitenruimtes 

N. Overmaat, L. Groen-van der Ven, F.C. Bakker

Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland

Achtergrond Steeds meer mensen in Nederland krijgen  te maken met dementie. Door recente ontwikkelingen  in de zorg blijven deze mensen steeds langer in hun eigen woning en buurt wonen. Daarnaast wordt een dementievriendelijke samenleving gepromoot om ook  mensen met dementie te laten participeren in de maatschappij. Vrij en veilig naar buiten kunnen gaan is daarbij een belangrijke factor, maar niet vanzelfsprekend  mogelijk. Het doel van dit onderzoek is om in kaart te  brengen welke factoren een buitenruimte dementievriendelijk maken.

Methode Er zijn 8 wandelinterviews afgenomen met  mensen met dementie en mantelzorgers. Daarnaast  hebben er 5 groepsbijeenkomsten plaatsgevonden met  in totaal 81 zorg- en gemeentemedewerkers. Door middel van een topiclijst en observaties zijn factoren in de  openbare ruimte in kaart gebracht die het naar buiten  gaan beïnvloeden.

Resultaten Vanuit interviews met mensen met dementie, mantelzorgers, zorgprofessionals en beleidsmakers/  planologen van gemeenten blijkt dat mensen met dementie worden gestimuleerd om naar buiten te gaan  wanneer (1) zij veilig kunnen deelnemen aan het verkeer (bv. (logische) oversteekplaatsen, rustpunten en  onderhoud van voetpaden), (2) zij duidelijke looproutes  kunnen kiezen (bv. afgebakende voetpaden en duidelijke herkenningspunten en bewegwijzering t.b. v. oriëntatie), en (3) zij begrip en hulp ervaren van medeburgers  op straat.

Conclusie Mensen met dementie gaan minder vaak zelfstandig naar buiten dan gewenst omdat de omgeving  dit veelal niet faciliteert. Het is een uitdaging om openbare ruimtes dementievriendelijk te maken, die zowel  fysiek als sociaal aansluiten bij individuele leef- en gezondheidssituaties van mensen met dementie. Een uitdaging om aan te grijpen voor een dementievriendelijke  samenleving.

S14.3
Gelukkig oud worden: het perspectief  van ouderen met een verstandelijke beperking 

A.W. Hoekstra, L. Groen-van der Ven, F.C. Bakker

Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland

Achtergrond De levensverwachting van mensen met een  verstandelijke beperking neemt toe. Gezien deze ouderenpopulatie extra kwetsbaar is, vraagt dit om passend  ondersteuningsaanbod binnen de gehandicaptensector.  In het verleden is veel aandacht geweest voor het oplossen van gezondheidsproblemen, echter staat het goede leven steeds meer centraal. In deze studie werd onderzocht wat ouderen met een verstandelijke beperking  verstaan onder gelukkig oud worden.

Methode De onderzoeksgroep bestond uit 11 ouderen  met een verstandelijke beperking in de intramurale zorg.  Er is onderscheid gemaakt tussen ouderen met een verstandelijke beperking (50-plus) en met het Downsyndroom (40-plus). De interviews waren semi-gestructureerd. Topics werden gebaseerd op de zes dimensies van  subjectief welbevinden. Indien nodig werd photo elicitation toegepast. Data werd geanalyseerd door middel  van open codering.

Resultaten Onder gelukkig oud worden werd het behoud van de huidige omstandigheden en levenstevredenheid verstaan. Een goede lichamelijke gezondheid,  actief kunnen zijn, autonomie en sociale contacten  vormden belangrijke aspecten voor het gelukkig oud  worden. Respondenten hadden een negatief beeld bij  het ouder worden; het betekende voor hen afhankelijk  zijn, en het onvermogen om iets te kunnen doen. De  onderzoeksgroep voelde zich niet oud en wilde zo lang  mogelijk jong blijven.

Conclusie Geïnterviewde respondenten hebben een  negatieve beeldvorming over veroudering, waardoor  oud(er) worden angst en verdriet oproept. Het behouden van sociale contacten, ervaren lichamelijke gezondheid en activiteiten zijn voor hen van groot belang. De  gehandicaptensector dient daarom aandacht te besteden  aan beeldvorming rondom veroudering, aanbod van  passende activiteiten, en het faciliteren van het opbouwen en onderhouden van sociale netwerken van bewoners.

S14.4
Een Leven Lang Leren:  de behoeften aan onderwijs op latere leeftijd 

M. Kooijmans  Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid (FHMG),  Eindhoven, Nederland

Achtergrond Ouderenonderwijs heeft positieve effecten  voor ouderen die zich niet meer in het arbeidsproces bevinden. Ouderen vergroten hun zelfvertrouwen, blijven  langer gezond, worden voorzien in hun intellectuele behoefte en hebben bovendien plezier (Mitchell, Legge &  Sinclair-Legge, 1997; Boulton-Lewis, 2010; Tabatabaei  & Roostai, 2014; Talmage et  al., 2015). In deze studie  is onderzocht welke behoeften er zijn bij ouderen in de  derde levensfase aan het volgen van onderwijs op HBO  niveau, dat passend is binnen gerontologische thema’s.

Methode Voor dit onderzoek is methodetriangulatie uitgevoerd. Er zijn vier focusgroepen gehouden (N=28;  leeftijd 61 tot 80 jaar) onder respondenten uit het netwerk van de opleiding Toegepaste Gerontologie en ouderenverenigingen in Eindhoven. Daarnaast zijn kwantitatieve enquêtes afgenomen (N=202; leeftijd 51 tot  90 jaar). Transcripties van focusgroepen zijn ingevoerd  in Kwalitan, waarmee data van open tot selectief gecodeerd is. Enquêtes zijn geanalyseerd met SPSS, waaruit  frequentietabellen gehaald zijn voor beschrijvende resultaten.

Resultaten Uit beide typen onderzoek blijkt dat respondenten geïnteresseerd zijn in een onderwijsaanbod op  HBO niveau waarbij aandacht is voor thema’s als ‘levensvragen’, ‘mantelzorg’ en ‘technologie’. Zij kiezen  voor een combinatie aan werkvormen en willen deel  uitmaken van dynamische onderwijsgemeenschappen.  Er worden hoge eisen gesteld aan de docenten. Sociale  contacten zijn belangrijk. Belangrijkste redenen om onderwijs te volgen: nieuwe kennis en inzichten opdoen,  persoonlijke ontwikkeling en om bij te blijven.

Conclusie Ouderen zijn geïnteresseerd in onderwijs op  HBO niveau. De resultaten uit dit onderzoek bieden een  basis voor het aanbieden van een pilot onderwijsreeks  voor zestigplussers.

S15
Sociale vitalisering in wooncomplexen voor ouderen:  mogelijkheden en grenzen 

Voorzitter:  J.E.M. Machielse

Universiteit voor Humanistiek, Utrecht, Nederland

Sociale participatie is belangrijk voor het welbevinden  van ouderen, maar bij het stijgen van de leeftijd nemen  de mogelijkheden om deel te nemen aan sociale activiteiten af. In de huidige beleidscontext wordt ook de  professionele activiteitenbegeleiding in wooncomplexen  voor ouderen afgebouwd. Het is de bedoeling dat ouderen zelf sociale activiteiten organiseren, zo nodig met  ondersteuning van beroepskrachten. Diverse onderzoeken laten zien dat niet alle ouderen voldoende zelforganiserende vermogens hebben om dit te kunnen. Hierdoor zijn er in wooncomplexen minder activiteiten en  minder ontmoetingsmogelijkheden, met ongewenste  gevolgen voor het welbevinden en de kwaliteit van leven  van ouderen.  Het Experiment Vitale woongemeenschappen, uitgevoerd door Platform31 en het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg, is gericht op de mogelijkheden  voor gemeenschapsvorming in wooncomplexen voor  ouderen. In het experiment werken bewoners en professionals met behulp van een methodische aanpak aan  sociale vitalisering in tien wooncomplexen voor ouderen, verspreid over het land. In dit symposium worden  de resultaten van het begeleidend onderzoek naar het  verloop en de uitkomsten van dit experiment gepresenteerd. Het onderzoek omvatte een kwantitatieve nul- en  nameting en een kwalitatief onderzoek gedurende de  tussenliggende periode. De eerste presentatie geeft inzicht in de vraag of (en waardoor) sociale activiteiten  in de woonomgeving al dan niet zijn toegenomen. De  tweede presentatie laat de impact van een methodische  beïnvloeding op het zelforganiserende vermogen van  ouderen en het sociale klimaat in de wooncomplexen  zien. De laatste presentatie maakt duidelijk onder welke voorwaarden interventies voor sociale vitalisering in  wooncomplexen voor ouderen succesvol kunnen zijn en  welke professionele ondersteuning nodig is.

S15.1
Sociale activiteiten binnen wooncomplexen voor  senioren: verschillen voor en na een interventie  sociale revitalisering 

W. van der Vaart, M. van Egmond

Universiteit voor Humanistiek, Utrecht, Nederland

Achtergrond In deze presentatie bespreken we de uitkomsten van de kwantitatieve nul- en nametingen die  voorafgaand aan en na afloop van de interventie ‘sociale  revitalisering’ in de wooncomplexen zijn verricht. Om  na te gaan of deze interventie een sociaal activerend effect heeft gehad, kijken we met name naar veranderingen in (de mate van, en behoefte aan) activiteiten binnen  het wooncomplex en contacten met medebewoners.

Methode Alle bewoners van de wooncomplexen hebben  tijdens de eerste en tweede meting (9 maanden later) een  papieren enquête ontvangen. Beide keren zijn in totaal  circa 1260 bewoners benaderd; de response was respectievelijk 32% (T1) en 26% (T2). De vragenlijst omvatte de volgende hoofdthema’s: deelname aan activiteiten  binnen het wooncomplex, kwaliteit van leven, eenzaamheid, zingeving, zelfredzaamheid, sociale contacten binnen en buiten het wooncomplex. Verschillen tussen de voor- en nameting worden in verband gebracht met de  andere thema’s en met achtergrondkenmerken van de  bewoners.

Resultaten De eindmeting laat geen substantiële verschillen zien tussen de nulmeting en de eindmeting.  Wel blijkt dat bewoners die aan beide metingen hebben  meegedaan, op nagenoeg alle aspecten hoger scoren dan  de overige (eenmalige) deelnemers. Dit geldt met name  voor de ’ervaren sociale contacten in het wooncomplex  en ‘kwaliteit van leven’.

Conclusie De uitkomsten zullen aangeven bij welke bewoners en onder welke omstandigheden activiteiten en  sociale contacten in de wooncomplexen al dan niet zijn  toegenomen. Daarbij wordt plausibel gemaakt of en in  welke mate dit toe te schrijven kan zijn aan de interventie ‘sociale vitalisering’.

S15.2  Het sociale klimaat in de wooncomplexen: resultaten  van een etnografische studie 

G. Bos, J.E.M. Machielse, E. Thoolen  Universiteit voor Humanistiek, Utrecht, Nederland

Achtergrond Het Experiment Vitale Woongemeenschappen is ontwikkeld om het zelforganiserende vermogen van bewoners in wooncomplexen voor ouderen  te vergroten en daarmee bij te dragen aan de sociale vitaliteit in de wooncomplexen en het welbevinden van de  betrokken ouderen. Doel van deze studie is inzicht te  bieden in de invloed die een methodische aanpak van  sociale vitalisering kan hebben op het sociale klimaat in  wooncomplexen voor ouderen.

Methode Een etnografische studie in vier wooncomplexen voor ouderen die hebben deelgenomen aan het  Experiment Vitale Woongemeenschappen. Gegevens  zijn verzameld met behulp van kwalitatieve interviews  en groepsinterviews met bewoners en professionals, en  door participerende observaties in diverse situaties die  verband hielden met de methodische aanpak. Ook werd  participerend geobserveerd tijdens activiteiten die al bestonden voor het experiment werd ingezet.

Resultaten De studie maakt duidelijk hoe het organiseren van sociale activiteiten in alle onderzochte complexen verloopt en welke gevolgen het experiment heeft  voor de sociale dynamiek en de onderlinge betrokkenheid in de vier complexen. Er zijn nieuwe contacten  gelegd en nieuwe activiteiten ontwikkeld, maar het experiment leverde ook spanningen op en bestaande conflicten werden soms juist versterkt.

Conclusie De studie bevestigt het beeld dat uit de nulmetingen naar voren kwam. Veel bewoners geven aan behoefte te hebben aan sociale activiteiten, maar zijn vaak  niet bereid of in staat om dat zelf te organiseren. De methodische beïnvloeding heeft bovendien grote gevolgen  voor de onderlinge relaties en contacten tussen bewoners, zowel in positieve als in negatieve zin.

S15.3
Voorwaarden en mogelijkheden  om gemeenschapsvorming in wooncomplexen  voor ouderen te stimuleren 

J.E.M. Machielse, G. Bos, E. Thoolen, W. van der Vaart

Universiteit voor Humanistiek, Utrecht, Nederland

Achtergrond Tot nu toe is weinig bekend over de mogelijkheden om gemeenschapsvorming in wooncomplexen voor ouderen te stimuleren. Ook is niet duidelijk  hoe de sociale vitaliteit kan worden behouden als een  actieve bewonersgroep ouder wordt en de leden ervan  meer beperkingen krijgen. Doel van deze studie was  inzicht te krijgen in de voorwaarden waaronder interventies voor gemeenschapsvorming in wooncomplexen  voor ouderen succesvol kunnen zijn en welke professionele ondersteuning daarbij nodig is.

Methode Theoretische inzichten over aspecten die relevant zijn voor het bevorderen van burgerparticipatie en  sociale vitaliteit zijn in verband gebracht met bevindingen uit de nul- en nameting, het tussenliggende kwalitatieve onderzoek in vier wooncomplexen, en bijeenkomsten van een ‘learning community’ met bewoners  en professionals van alle tien wooncomplexen die aan  het experiment meededen.

Resultaten De bevindingen uit het empirisch onderzoek  bevestigen de theoretische veronderstelling dat ‘doenvermogen’ een voorwaarde is om sociale vitalisering op  gang te brengen. Een kleine groep bewoners is zeer gemotiveerd om sociale activiteiten te organiseren, maar  slaagt er niet in om andere bewoners mee te krijgen. Beroepskrachten met kennis van de gemeenschap (‘activity settings‘) zijn nodig om het proces op gang te krijgen  en te begeleiden, en om de continuïteit te waarborgen.

Conclusie Methodisch gestuurde sociale vitalisering  is altijd maatwerk. De behoeften en de mogelijkheden  van de bewoners lopen sterk uiteen en de toepassing  van de methodiek moet goed worden afgestemd op de  doelgroep en de bestaande sociale structuur binnen een  wooncomplex. (Lokale) factoren hebben een stimulerende dan wel belemmerende invloed op dergelijke interventies.

Poster presentaties 
Groep A: Verpleeghuiszorg

PA1
De gewenste rol van de belangrijke andere  van verpleeghuis bewoners met dementie 

A.H.C. Schoenmakers1,2, J.M. Huijg2
1  LUMC, Leiden, Nederland
2  Leyden Academy on Vitality and Ageing, Leiden,  Nederland

Achtergrond Belangrijke andere van verpleeghuis bewoners met dementia willen na de verpleeghuisopname  hun ondersteunende actieve rol behouden. Deze ondersteunende rol kan bestaan uit verschillende domeinen  (zoals fysieke-, emotionele- en sociale ondersteuning)  en verwante activiteiten. Dit onderzoek heeft als doel  om de gewenste rol van de belangrijke andere en de bijbehorende behoeftes te verkennen, die nodig zijn om de  gewenste rol te vervullen.

Methode Semigestructureerd interviews zijn gehouden  met 7 belangrijke andere. Door middel van een mindmap techniek was een overzicht van de huidige en gewenste rol in beeld gebracht. Net zoals de behoeften om  de gewenste rol te vervullen. De mind-maps waren geanalyseerd en ondersteunt door verbatim transcripten.

Resultaten Uit de mind-maps analyse zijn vier hoofd domeinen geïdentificeerd van de huidige rol: sociale ondersteuning, emotionele zorg verlening, verpleeghuis  participatie en fysieke zorg ondersteuning. De belangrijke andere beschreven dat deze domeinen en gerelateerde activiteiten congruent aan de gewenste rol waren.  Naast de vier domeinen werden de volgende gevoelens  geïdentificeerd: liefde, rouw, schuld en machteloosheid.  Behoeftes waren met name beschreven door partners en  gelokaliseerd buiten de verpleeghuis omgeving (bijvoorbeeld met vakantie gaan).

Conclusies De belangrijke andere uit dit onderzoek waren tevreden met hun huidige ondersteunende rol. Desondanks aspecten van de rol om aanpassingen vraagt  door de progressie van de dementie, waren deze belangrijke andere in staat om zich aan te passen aan de capaciteiten van hun geliefde met een ondersteunende rol van  het verpleeghuis personeel.

PA2
Kwaliteit van de verpleegkundige verslaglegging  in zorgplannen van verpleeg- en verzorgingshuizen

A. Tuinman1  , M.H.G. de Greef2  , W.P. Krijnen1  ,  W. Paans1  , P.F. Roodbol2
1  Hanzehogeschool Groningen, Groningen, Nederland
2  Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Nederland

Achtergrond Nauwkeurige verpleegkundige verslaglegging draagt bij aan de continuïteit van zorg en veiligheid  van bewoners. Daarnaast hebben managers een nauwkeurige verslaglegging nodig bij de verantwoording van  de kwaliteit van zorg en het naleven van wettelijke regelgeving. Echter, weinig is bekend over de kwaliteit van  de verslaglegging van het zorgpersoneel in verpleeg- en  verzorgingshuizen.

Methode De D-Catch beoordeelt op een 4-punts Likertschaal de accuraatheid van de inhoud en samenhang  van de (inter)nationaal erkende fasen van het verpleegproces, te weten: een beschrijving van de (1) anamnese,  (2) fysieke, mentale en sociale zorgbehoeften van bewoners, (3) te bereiken zorgresultaten, (4) interventies en  (5) evaluatie van zorg. In totaal zijn van vijf zorgcentra  in Noord-Nederland 197 zorg(leef)plannen beoordeeld  van somatische- (3), psychogeriatrische- (6) en verzorgingshuisafdelingen (4). Met behulp van beschrijvende  statistiek en de Chi-kwadraattoets is de accuraatheid en  de relatie tussen accuraatheid en type afdeling geanalyseerd.

Resultaten In zowel de inhoud als de samenhang van  de verpleegkundige documentatie werden onnauwkeurigheden gevonden. Met name bij de beschrijving van  zorgbehoeften van bewoners, interventies en voortgangsverslagen. Type afdeling was significant geassocieerd met de nauwkeurigheid van de verpleegkundige  verslaglegging.

Conclusies Een onnauwkeurige verslaglegging bemoeilijkt de communicatie tussen verschillende zorgprofessionals en brengt de veiligheid van bewoners in gevaar. De  complexe zorgbehoeften van bewoners en het doel van  verpleeg- en verzorgingshuizen om persoonsgerichte  zorg te verlenen vereisen investeringen in bijvoorbeeld  tijd en gestructureerde (elektronische) zorgplannen.  Daarnaast moeten de redeneringsvaardigheden van het  zorgpersoneel worden onderzocht en getraind, om te  zorgen dat zij hun documentatietaken op een adequate  wijze uitvoeren.

PA3
Polyfarmacie Hot or Not? 

K.J. van Tol, P.H. van Dam, N. van den Eshof,  M. Boonzaaijer, M. van Eijk, W.P. Achterberg  PHEG LUMC, Leiden, Nederland

Achtergrond Veel ouderen in het verpleeghuis gebruiken  dagelijks 5 of meer verschillende geneesmiddelen. Vooral bij kwetsbare ouderen kan polyfarmacie risico’s met  zich meebrengen. In 2012 is de Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie (MDR) verschenen. Met deze studie  werd o. a. onderzocht in hoeverre de MDR onder artsen  werkzaam in het verpleeghuis geïmplementeerd is.

Methode Een vragenlijst werd verspreid onder artsen  werkzaam in het verpleeghuis. Een acceptabele implementatie werd toegeschreven aan respondenten, die bij  75–100% van hun patiënten het afgelopen jaar een medicatiereview deden en gebruik maakten van in ieder  geval 3 specifieke stappen van het stappenplan van de  MDR. Tot slot werd gevraagd wat men nodig zou hebben voor een betere toepassing van het stappenplan uit  de MDR.

Resultaten Van de 318 respondenten voert 4,4% een  medicatiereview volledig uit volgens het aanbevolen  4-stappenplan van de MDR. Voor acceptabele implementatie is dit percentage 40%. Multivariate regressie  analyse liet zien dat de functie specialist ouderengeneeskunde onafhankelijk geassocieerd is met meer acceptabele implementatie (OR 2.23; BI 1.03–4.86) t.o. v. de  functie arts-assistent.

Conclusies De MDR Polyfarmacie is onvoldoende geïmplementeerd onder artsen werkzaam in het verpleeghuis. Hoewel het lijkt alsof artsen in het verpleeghuis  niet vaak medicatiereviews doen, gaat het hier om gestructureerd medicatiereviews. In het dagelijks werk  van artsen werkzaam in het verpleeghuis wordt de medicatiebeoordeling als belangrijk punt meegenomen bij  opname en tijdens het beoordelen van intercurrente  aandoeningen. Verbeteren van kennis, een praktische  handleiding en facilitatie vanuit de zorginstelling zouden kunnen leiden tot een beter en gestructureerde medicatiebeoordeling volgens de MDR.

PA4
Tijdsbesteding in verpleeghuizen;  ontwikkeling, validiteit en  interbeoordelaarsbetrouwbaarheid  van de GO-LTIC 

A. Tuinman  Hanzehogeschool Groningen, Groningen, Nederland

Achtergrond Inzicht in wie wat doet is belangrijk om de  complexe zorgbehoeften van bewoners te kunnen matchen met voldoende en gekwalificeerd personeel. Bestaande meetinstrumenten die dit in kaart brengen zijn  gebaseerd op verschillende (niet verpleegkundige) terminologieën en psychometrische eigenschappen zijn  onvoldoende beschreven.

Methode De GO-LTIC is gebaseerd op de Nursing Intervention Classification. Ontwikkelings-, validiteit- en  betrouwbaarheidsfasen omvatten: 1) item-generatie ter  identificatie van potentiële setting-specifieke interventies; 2) inhoudsvaliditeit door een Delphi panel waarna de item content validity index is berekend om relevante interventies te includeren; 3) haalbaarheidsstudie;  en 4) interbeoordelaarsbetrouwbaarheid door berekening (non) agreement, Cohen’s kappa en intraclass correlation coëfficients (ICC). Bland-Altman plots en een  one-sample student T-test zijn toegepast om verschillen  tussen observatoren te visualiseren en testen.

Resultaten De GO-LTIC bevat 116 verpleegkundige interventies gecategoriseerd in zes zorgdomeinen. Voor  interventies in de zorgdomeinen basis- (0.67–0.92) en  complex fysiologische zorg (0.70–0.94) zijn substantieel  tot bijna perfecte kappa’s gevonden. In de zorgdomeinen gedrag, gezin en familie, en gezondheidszorgstelsel,  varieerden kappa’s van fair tot bijna perfect (0.30–1.00).  ICC’s voor de hoeveelheid tijd besteed aan interventies  varieerden van fair tot excellent in fysiologische zorgdomeinen (0.48–0.99) en poor tot excellent in overige  zorgdomeinen (0.00–1.00). Geen statistisch significante  verschillen (p>0.05) zijn gevonden tussen observatoren  en het klinisch verschil (aantal minuten) was klein.

Conclusies De GO-LTIC heeft een goede inhoudsvaliditeit en acceptabele interbeoordelaarsbetrouwbaarheid.  Het kan managers ondersteunen bij het in kaart brengen van wie wat doet in het zorgproces om vervolgens  zorgpersoneel in te zetten op basis van hun kwalificaties.

PA5
Voeding binnen de revalidatie bij ouderen met  een heup fractuur in Nederland: een observationele studie 

L. den Behoeft1  , L. de Groot2  , J. S.M. Hobbelen3  ,  G.J. van der Putten1
1  Zorggroep Amaris, Laren, Nederland  2  Wageningen University, Wageningen, Nederland
3  Hanzehogeschool Groningen, Groningen, Nederland

Achtergrond Jaarlijks presenteren in Nederland ca.  13.000 65-plussers zich op de eerste hulp met een heupfractuur na een val met vaak blijvende beperkingen en  verhoogd risico op overlijden tot gevolg. Steeds meer  onderzoek wijst op de positieve effecten van een voedingsinterventie (voornamelijk eiwitten) op de uitkomsten van fysieke training bij ouderen. Omdat binnen de  revalidatie na een heupfractuur van oudsher veel aandacht besteed wordt aan fysieke training heeft deze  groep mogelijk ook baat bij een dergelijke voedingsinterventie. Onduidelijk is hoe de huidige situatie in Nederland is als het gaat om voedingszorg bij revaliderende ouderen met een heupfractuur.

Methode Een observationele studie met twee doelstellingen: 1) in kaart brengen van de patiëntkaraktistieken  van 65-plussers die komen revalideren in het verpleeghuis (geriatrische revalidatiezorg) en 2) in kaart brengen  van de usual care. De resultaten van deze studie worden  gebruikt voor het opzetten van een interventiestudie  om de effectiviteit van een gecombineerde voedings- en  trainingsinterventie bij dezelfde groep te onderzoeken.

Resultaten Patiëntkarakteristieken zoals onder andere  leeftijd, voedingstatus en fysiek functioneren worden in  kaart gebracht. Usual care assessment heeft betrekking  op voedingszorg en fysieke training.

Conclusies Ondanks aanwijzingen dat een voedingsinterventie de effecten van training kan versterken is het  onduidelijk in hoeverre voeding een plaats heeft in de  revalidatie. Een observationele studie wordt uitgevoerd  om de huidige zorg met betrekking tot voeding en training bij revaliderende ouderen met een heupfractuur in  Nederland in kaart te brengen.

PA6  Liefde, intimiteit en seksualiteit in psychogeriatrische  verpleeghuiszorg 

T.S.M. Roelofs1  , K.G. Luijkx2  , P.J.C.M. Embregts2
1  Stichting Schakelring, Waalrijk, Nederland
2  Tilburg University, Tilburg, Nederland

Achtergrond Liefde, intimiteit en seksualiteit zijn belangrijke aspecten van kwaliteit van leven en niet leeftijdsgebonden, blijkt uit onderzoek. Wanneer er echter sprake  is van dementie, en zeker na opname in een verpleeghuis, is hier nog weinig aandacht voor. Daarnaast wordt  gerapporteerd dat zowel liefde, als intimiteit en seksualiteit complexe situaties kunnen opleveren in de verpleeghuiszorg. De ervaringen van cliënten zelf hebben echter  in onderzoek nog niet eerder centraal gestaan.

Methode Binnen drie zorgorganisaties in Noord-Brabant  hebben 17 interviews plaatsgevonden met PG cliënten,  hun partners en koppels. Het design en de analyse zijn  vormgegeven volgens de Interpretative Phenomenological Analysis (IPA) methode. Daarnaast was uitgebreide samenwerking met de klinische praktijk nodig om  de werving- en selectieprocedure zoveel mogelijk op de  doelgroep aan te passen.

Resultaten De rijke kwalitatieve informatie laat een grote  diversiteit zien. Liefde, intimiteit en seksualiteit worden  beschreven als onderdeel van de levens- en liefdesgeschiedenis. Op het gebied van liefde en relatie kwamen  thema’s als missen, samen zijn en loyaliteit naar voren.  Koppels en partners omschreven een gemis aan intimiteit, binnen datzelfde kader. Hoewel het gemis aan seksualiteit geen hoofdthema vormde, benoemden sommige respondenten dit gemis wel met zowel fysieke,  relationele als omgevingsbeperkingen. Daarnaast zijn  diverse mogelijkheden en beperkingen om deze aspecten te beleven binnen het verpleeghuis gedeeld.

Conclusies PG cliënten, hun partners en koppels hebben  behoefte aan en ervaren liefde, intimiteit en seksualiteit,  ondanks beperkingen die dementie en verpleeghuisopname met zich meebrengen. Deze behoeften en beperkingen kunnen van grote waarde zijn voor vervolgonderzoek en klinische praktijk.

Groep PB: Preventie en Public Health

PB1
Succesvolle elementen van preventieve  interventies voor moeilijk bereikbare ouderen 

S.H. van Oostrom, L.C. Lemmens, G.M. Herber,  A.M.W. Spijkerman  RIVM, Bilthoven, Nederland

Achtergrond Met bestaande initiatieven gericht op  vroegopsporing van kwetsbare ouderen en het bijbehorend aanbod van preventieve interventies wordt een  aantal groepen ouderen onvoldoende bereikt. Dit betreft vooral ouderen met een lage sociaaleconomische  status, oudere migranten en ouderen met een beperkt  sociaal netwerk, terwijl juist van deze groepen bekend  is dat zij eerder kwetsbaar worden. Het doel van dit onderzoek is het identificeren van succesvolle elementen  van preventieve interventies voor moeilijk bereikbare  ouderen.

Methode De eerste fase bestaat uit een literatuurstudie  naar relevante thema’s bij moeilijk bereikbare ouderen.  Daarnaast worden goede voorbeelden van preventieve interventies voor moeilijk bereikbare ouderen geïnventariseerd. Vervolgens worden interviews gehouden  met professionals betrokken bij deze voorbeelden en  met ouderen zelf of sleutelfiguren. Voor de inventarisatie van goede voorbeelden wordt gebruik gemaakt van  de interventiedatabase van het Centrum Gezond Leven  (RIVM), aangevuld met interventies op basis van literatuur en schriftelijke consultatie van experts.

Resultaten Vijf belangrijke thema’s die een rol spelen bij  moeilijk bereikbare ouderen zijn 1) lage gezondheidsvaardigheden, 2) psychosociale problemen, 3) taboe of  schaamte met betrekking tot deze problemen, 4) problemen met toegankelijkheid van zorg en ondersteuning  en 5) kennislacunes bij zorgprofessionals. De selectie  van voorbeeldinterventies en de interviews met betrokkenen vinden momenteel plaats. De resultaten zullen  gepresenteerd worden op het congres. Dit zal inzicht  geven in de herkenbaarheid van de vijf thema’s en succesvolle elementen voor het bereiken van de doelgroep.

Conclusies De geïdentificeerde succesvolle elementen  kunnen handvatten bieden om nieuw te ontwikkelen of  bestaande interventies beter te laten aansluiten bij moeilijk bereikbare groepen ouderen.

PB2
Sociaal-economische verschillen  in gezondheid na uittreden uit de arbeidsmarkt:  een rol voor werkomstandigheden? 

S De Breij, D.J.H. Deeg  VU medisch centrum, Amsterdam, Nederland

Achtergrond De pensioenleeftijd wordt in veel Europese landen verhoogd. Hierbij wordt echter geen rekening  gehouden met de sociaal-economische status (SES) van  de werkenden. Mensen met een lage SES hebben een  slechtere gezondheid dan mensen met een hoge SES.  Werkenden met een lage SES werken meer jaren en werken onder slechtere omstandigheden. Het verhogen van  de pensioenleeftijd zou de sociaal-economische gezondheidsverschillen kunnen vergroten, ook na uittreding  uit de arbeidsmarkt. Dit onderzoek betreft de vraag hoe  eerdere werkomstandigheden zouden kunnen doorwerken op sociaal-economische gezondheidsverschillen na  uittreden uit de arbeidsmarkt.

Methode Vijf longitudinale datasets van het EXTEND-project zijn gebruikt: uit Nederland (LASA),  Duitsland (DEAS), Finland (FLAME), Denemarken  (DLSA) en Engeland (ELSA) om de resultaten te kunnen repliceren. Zowel subjectieve (ervaren gezondheid  en functionele beperkingen) als objectieve (fysieke prestatie en sterfte) gezondheid werd gevolgd over maximaal  18 jaar. Een breed spectrum aan werkomstandigheden  pre-uittreding was beschikbaar.

Resultaten Bij werkenden die vroeg (voor 65 jaar) uittraden, werden SES-verschillen gevonden in bijna alle  gezondheidsmaten in alle landen behalve Finland. Bij  late uittreders (65 jaar of ouder) werden SES-verschillen  in gezondheid juist voornamelijk in Finland gevonden.  Psychosociale en fysieke werkbelasting, positieve psychosociale werkkenmerken en de reden van uittreding  (arbeidsongeschiktheid, vervroegd pensioen of regulier  pensioen) bleken de belangrijkste mediatoren te zijn.

Conclusies In het merendeel van de landen bestaan sociaal-economische verschillen in gezondheid na uittreden uit de arbeidsmarkt. Ook jaren na uittreding hadden mensen met een lage SES een slechtere gezondheid  en een hoger sterftecijfer dan mensen met een hoge SES.  Deze verschillen worden deels verklaard door eerdere  werkomstandigheden.

PB3
De zorgvraag van ouderen in 2040 

R.A.A. Vonk, M. Verschuuren, W.M. Ravensbergen  Ministerie van VWS – RIVM, Bilthoven, Nederland

Achtergrond Tussen nu en 2040 zal het aantal 65-plussers  in Nederland naar verwachting stijgen van 3,1 naar 4,8  miljoen. Wat zijn de effecten van deze doorzettende vergrijzing op de behoefte aan en het gebruik van zorg, hulp  en ondersteuning van ouderen tussen nu en 2040? En  wat betekent dit voor zorgverleners en het zorgsysteem?  Onder andere deze vraag staat centraal in de VTV-2018  themaverkenning ‘De zorgvragers van de toekomst’.

Methode We kijken in deze verkenning naar demografische en epidemiologische trends (bijvoorbeeld gezondheidstoestand, woonsituatie), maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in het zorgaanbod. We  gebruiken hierbij kwantitatieve en kwalitatieve informatie. Daarnaast maken we gebruik van de kennis en  expertise uit de academische wereld, consumenten- en  patiëntenverenigingen en het zorgveld, via interviews en  expertmeetings.

Resultaten De verwachte toename in multiproblematiek,  waarbij gezondheidsproblemen vaak gecombineerd zijn  met problemen in andere levensdomeinen zorgt voor  een complexere zorgvraag van ouderen. Aan de kant  van het zorgaanbod zien we een sterke daling van het  mantelzorgpotentieel. Dit zorgt niet alleen voor meer  druk op mantelzorgers, maar ook op eerstelijn, tweedelijn, langdurige zorg en spoedzorg. Dit vergt een goede  afstemming tussen informele en formele zorg en maakt  de vraag hoe we goed kunnen inspelen op de wensen én  mogelijkheden van ouderen steeds belangrijker.

Conclusies De Nederlandse gezondheidszorg staat voor  een grote uitdaging: hoe komen we tegemoet aan de  steeds complexer wordende zorgvraag van ouderen in  de toekomst. Wat betekent dit voor persoonsgerichte zorg en hoe flexibel moet het zorgsysteem zijn? De  VTV-2018 biedt hiervoor aanknopingspunten voor zowel beleidsmakers als zorgverleners.

PB4  Pijn tijdens de veroudering:  de Doetinchem Cohort Studie 

H.S.J. Picavet1  , L. Groot1  , L.A. Schaap2  ,  W.M.M. Verschuren1  , S.H. van Oostrom1
1  RIVM, Bilthoven, Nederland
2 VU, Amsterdam, Nederland

Achtergrond De belangrijkste determinant van chronische pijn op enig moment in het leven is het eerder  hebben doorgemaakt van (chronische) pijn. Pijn op gevorderde leeftijd wordt dus mogelijk bepaald door de  ervaring van pijn over de hele levensloop. Er is echter  niet veel bekend over hoe pijn ontwikkelt over de volwassen levensloop en tijdens veroudering. Ons doel was  om langdurige individuele trajecten van pijn over 15  jaar van de levensloop te bestuderen en de rol van sociaal-demografische factoren, leefgewoonten en gezondheid hierbij.

Methode De studiepopulatie bestond uit 3485 volwassenen van 25 tot 71 jaar op baseline, een aselecte steekproef uit de bevolking van Doetinchem. De rapportage  van pijn op vier metingen met elk 5 jaar ertussen in de  periode 1995–2015, werd gebruikt om vijf pijnpatronen  te bepalen. De analyse van baseline determinanten werd  gedaan via multinomiale logistieke regressie.

Resultaten Bijna een derde van de populatie (32,2%)  rapporteerde nooit pijn en 19,5% vrijwel altijd pijn. De  andere patronen waren: ontwikkeling van pijn (19,2%),  herstel van pijn (11,1%) en wisselende pijn (17,6%). De  trajecten met voortdurende en/of recente pijn worden  vaker gevonden onder vrouwen, rokers en volwassenen  met een korte slaapduur. Tevens was er een sterke associatie van pijn met obesitas, chronische ziekte en een  minder goede mentale gezondheid.

Conclusies Een substantieel deel van de volwassen en  verouderende populatie rapporteert pijn over een lange  periode van hun leven. Deze ‘pijngeschiedenissen’ zijn  mogelijk relevant bij de aanpak van pijn bij veroudering  en op oudere leeftijd.

PB5
Screeningsinstrumenten voor  niet-tandheelkundige professionals om  de mondgezondheid van ouderen te beoordelen –  Een literatuur review 

B. Everaars  Hogeschool Utrecht/ACTA, Utrecht, Nederland

Achtergrond Mondgezondheid van ouderen in Nederland is ontoereikend en met de groeiende afhankelijkheid vermindert voor hen ook de toegankelijkheid van  de mondzorg. Niet-tandheelkundige professionals kunnen een substantiële bijdrage leveren in de screening  en triage van mondgezondheid bij de oudere patiënt  wanneer mondzorg minder toegankelijk wordt. In deze  review worden psychometrische eigenschappen van  mondzorg screeningsinstrumenten voor niet-tandheelkundige professionals beoordeeld op kwaliteit en inhoudelijk beschreven.

Methode PubMed, Embase.com and Cinahl zijn systematisch doorzocht op index- en vrije zoektermen.  ‘Mondgezondheid screeninginstrumenten’, ‘niet-tandheelkundige professionals’ en ‘oudere’ werden gecombineerd door booleaanse operatoren. Artikelen zijn individueel gescreend op titel, samenvatting en full-tekst  door twee reviewers. Artikelen, welke de psychometrische eigenschappen van een screeningsinstrument onderzochten, zijn geïncludeerd. De kwaliteit van de artikelen is beoordeeld met de COSMIN checklist.

Resultaten 435 artikelen bleven over voor selectie waarvan 19 artikelen zijn geïncludeerd voor analyse. Uit deze  artikelen kwamen 9 verschillende screeningsinstrumenten naar voren (ROAG, OAG, MDS, OHAT, THROAT,  DHR, MPS,BOHSE, Revised Oral Assessment Guide)  welke in totaal 19 items in de mondholte beoordelen.  Over het algemeen werd er onvoldoende/matig gescoord op de COSMIN kwaliteitscriteria. Betrouwbaarheid en validiteitsonderzoek vond vaak plaats bij kleine  steekproeven.

Conclusies De beperkte kwaliteit van gepubliceerd onderzoek laat geen conclusies toe over het meest geschikte instrument voor screening van mondgezondheid  door niet-tandheelkundige professionals. Het beoordelen van: mondhygiëne, lippen, speekselvloed, tanden of  protheses bleken de moeilijkste items voor niet-tandheelkundige professionals. Kwalitatief beter onderzoek  naar de betrouwbaarheid en validiteit met grotere steekproeven is nodig om inzicht te geven in het best bruikbare screeningsinstrument.

PB6  De (on)gezonde werkduurverwachting  in Nederland 

M. van der Noordt1  , S. van der Pas1  , T.G. van Tilburg2  ,  A. van den Hout3  , M.A. Jonker1  , D.J.H. Deeg1
1  VU medisch centrum, Amsterdam, Nederland
2  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland
3  University College, Londen, Verenigd Koninkrijk

Achtergrond Demografische veranderingen in de samenleving hebben geleid tot maatregelen om pensioenkosten te reduceren. Zo is vervroegd uittreden financieel  onaantrekkelijk gemaakt. Uit cijfers van het CBS blijkt  dat de gemiddelde pensioenleeftijd van 2000 tot 2016 is  toegenomen van 60,8 tot 64,4 jaar. De vraag is echter of  deze gewonnen werkjaren in goede of slechte gezondheid zijn doorgebracht. In deze studie vergelijken we de  (on)gezonde werkduurverwachting van 1992–2002 met  2002–2012.

Methode Uit de Longitudinal Aging Study Amsterdam  (LASA) hebben we respondenten van 55 tot 65 jaar oud  met een betaalde baan in 1992 en 2002 geselecteerd en  gedurende 10 jaar gevolgd (N=641). Gezondheid is geoperationaliseerd als het wel/niet hebben van functionele beperkingen, gemeten met de Global Activity Limitation Indicator (GALI). De werkduurverwachting is  geschat in een drie-toestandenmodel in R.

Resultaten De totale werkduurverwachting op 55-jarige leeftijd is gestegen van 4,2 jaar (95%BI=3,7–4,6)  in 1992–2002 naar 5,4 jaar (95%BI=5,0–5,7) in 2002–  2012. Het aantal jaren waarin gemiddeld met functionele beperkingen wordt gewerkt is gestegen van 0,7  jaar (95%BI=0,5–0,9) tot 1,3 jaar (95%BI=1,0–1,5).  Werkenden die al functionele beperkingen hadden op  55-jarige leeftijd werkten in de eerste periode nog 2,2  jaar (95%BI=1,6–2,9) en in de tweede periode 3,6 jaar  (95%BI=3,0–4,1) met hun functionele beperkingen.

Conclusie De gewonnen werkjaren tussen 1992–2002 en  2002–2012 zijn zowel in goede als in slechte functionele gezondheid doorgebracht. Met het oog op verhoging  van de AOW-leeftijd kan in de toekomst een nog verdere stijging verwacht worden. Deze resultaten benadrukken het toenemende belang van goede werkplekinterventies die werknemers met functionele beperkingen  kunnen ondersteunen.

Groep PC: Technologie en innovatie

PC1
Story of My Life; wensen en behoeften  ten aanzien van het delen van levensverhalen  en de rol van technologie 

M. Blok1,2, E.J. van Ingen2  , A.H. de Boer2,3;  Pim Cuijpers2  , Naomi van Stapele2,4
1  Nationaal Ouderenfonds, Bunnik, Nederland
2  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland
3  Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, Nederland
4  Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Bij het ouder worden verliezen mensen sociale contacten, zeker als zij geconfronteerd worden met  dementie. De emotionele steun van degenen die er nog  zijn wordt steeds belangrijker en in deze relaties wordt  dan ook extra geïnvesteerd. Een manier van verbondenheid is het delen van levensverhalen. Er bestaan verschillende digitale tools om communicatie tussen ouderen en degenen om hen heen te bevorderen. Hoewel  er aanwijzingen bestaan dat deze voordelen bieden aan  verschillende actoren, zijn er nog drempels voor het gebruik ervan. Er is veel bekend over acceptatie van technologie door ouderen. Niet eerder echter werd dit onderzocht aan de hand van social aging theorieën.

Methode 30 individuele interviews zijn afgenomen bij  ouderen met lichte dementie en belangrijke personen  in hun leven. Doel was inzicht te krijgen in de communicatie tussen ouderen en hun naasten en het in kaart  brengen van behoeften ten aanzien van het delen van  herinneringen en levensverhalen. Deelnemers werden  geworven via zorgboerderijen.

Resultaten Uit testsessies met een bestaande app, bleken  er in eerste instantie drempels bij ouderen om informatie te delen over hun leven. Uit achterdocht, maar ook  om de nieuwe generatie niet te vervelen. Ook bleek er  terughoudendheid in gebruik van technologie. Professionals zagen de app wèl als een goede manier om gesprekken aan te gaan en te ontdekken wat de oudere bezighoudt.

Conclusies Bij het ontwikkelen van een tool voor het delen van levensverhalen dient rekening te worden gehouden met specifieke behoeften en vaardigheden, die te  verklaren zijn aan de hand van social aging theorieën.

PC2
Invloed van depressie en apathie op  het neuropsychologische profiel van 50-plussers  met cognitieve beperkingen 

E.E. De Roeck1  , E.M. Opmeer2  , E. Dierckx1  ,  S. Engelborghs3  , P.P. De Deyn2
1  Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België
2  Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen  Nederland
3  UZ Antwerpen, Antwerpen, België

Achtergrond Apathie wordt vaak gezien als een symptoom van depressie, maar anderen beschrijven het als  aparte stoornis. Zo is een sombere stemming kenmerkend voor een depressie, en staat bij apathie een gebrek  aan initiatief op de voorgrond. Beide worden geassocieerd met cognitieve tekorten en dementie. In deze studie hebben we het cognitieve profiel vergeleken van vier  groepen mensen met toenemende cognitieve beperkingen: (1) een groep met depressieve symptomen, (2) een  groep met apathie, (3) een groep die een combinatie  van apathie en depressieve symptomen heeft en (4) een  groep die geen van beide heeft.

Methode Bij 117 controles (CO), 97 deelnemers met milde cognitieve problemen (MCI) en 50 deelnemers met  een beginnende dementie (DEM) werd een neuropsychologisch onderzoek afgenomen. Om apathie en depressie te meten werd gebruik gemaakt van respectievelijk de Apathie Evaluatie Schaal (AES; grensscore 38) en  de Geriatrische Depressie schaal (GDS; grensscore 11).

Resultaten Het aantal deelnemers met een apathie bedraagt respectievelijk 3.6%, 10.9% en 41.5% in de CO,  MCI en DEM groep, terwijl de prevalentie van depressieve symptomen het hoogst was in de MCI groep  (17.4%), gevolgd door de DEM (14.6%) en CO groep  (10.6%). Daarnaast zien we in alle groepen dat de deelnemers met apathie globaal gezien zwakker scoren op  de cognitieve testen dan deelnemers met een depressie.

Conclusies Deze studie toont aan dat apathie en depressie geassocieerd zijn met verschillende cognitieve profielen. Daarnaast verschillen beide in maximale prevalentie in functie van het dementiecontinuüm.

PC3
Lessen van mensen met dementie in het MBO  onderwijs: het gebruik van videoclips uit narratieve interviews met mensen met dementie 

M.A. Alma1  , J.M.W.J. Lamerichs2
1  Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen,  Nederland
2  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Uit een review van de curricula binnen het  MBO-zorgonderwijs blijkt dat de vakken die zich richten op ouderenzorg en dementie studenten onvoldoende voorbereiden op hun toekomstige werk. Daarnaast  gaven studenten aan dat zij kennis vanuit het patiëntenperspectief missen in hun opleiding. Het MBO-onderwijsprogramma Omgaan met dementie is ontwikkeld  op basis van interviews met relevante stakeholders en  secundaire analyse van 90 narratieve interviews met  mensen met dementie en hun mantelzorgers. In dit programma zijn diverse videofragmenten van deze narratieve interviews opgenomen, waarin mensen met dementie en hun mantelzorgers in detail vertellen over hoe  zij benaderd willen worden. Het doel van deze studie is  om inzicht te geven in de waarde die studenten hechten  aan dergelijke videofragmenten.

Methode Tien studenten op twee MBO-scholen hebben  een pilot-les gevolgd (100% vrouw, leeftijd 16–19 jaar).  Beide pilot-lessen zijn opgenomen op audio en vervolgens getranscribeerd.

Resultaten De pilotlessen lieten zien dat de videofragmenten uit narratieve interviews niet alleen een empathische reactie opriepen bij studenten, maar ook werden aangewend voor reflectie op het eigen handelen als  zorgprofessional. Ook toonden ze de kracht aan van het  gebruik van metaforen, die in de interviews aangehaald  werden en voor de leerlingen als basis functioneerden  voor de groepsdiscussie.

Conclusies Hoewel er nog meer onderzoek nodig is,  lijkt het werken met videofragmenten waarin mensen  met dementie en hun mantelzorgers zelf vertellen wat  het betekent om te leven met dementie een rijk en veelbelovend onderwijsmiddel. Het lijkt bijzonder geschikt  om een aantal knelpunten die naar voren komen in het  MBO-zorgonderwijs aan te pakken.

PC4
Sociale robots en Cocreatie: samen met mensen met  dementie applicaties ontwikkelen 

G. Visser1  , F. de Jong2  , E.G.E Gyaltsen-Lohuis1  ,  J.T. Bouma3
1  Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland
2  NHL Hogeschool, Leeuwarden, Nederland
3  Hanze Hogeschool, Groningen, Nederland

Achtergrond Kunnen sociale robots bijdragen aan positieve gezondheid van thuiswonende mensen met dementie? Promemo, kenniscentrum dementie voor professionals onderzoekt deze vraag. Essentieel is om de  doelgroep te betrekken bij het onderzoek als co-designer.  Veel te vaak gaat het óver mensen met dementie, alsof zij  niet meer in staat zijn om aan te geven wat zij belangrijk  vinden. Onderzoek laat zien, dat het wel degelijk mogelijk is hen te betrekken bij de ontwikkeling van IT-applicaties. Samen ontwikkelen heeft een positieve invloed  op empowerment, welbevinden en gevoel van controle.

Methode in diverse iteratieve cycli ontwerpen we samen  met mensen met dementie, mantelzorgers en casemanagers nieuwe toepassingen van de sociale robot Tessa. Dit  is een zogenaamde Tinybot, die mensen aan afspraken  herinnert en kan stimuleren tot activiteiten.

Resultaten Eerste resultaten laten zien dat mensen met  dementie de aanwezigheid van Tessa thuis als positief en  gezellig ervaren. Ze geven aan dat Tessa op dit moment  nog niet zoveel mogelijkheden heeft om hen te ondersteunen in hun behoeften, maar ze zien de potentie en  zijn bereid om over toekomstige mogelijkheden mee te  denken.

Conclusies Cocreatie met gebruikers van Tessa geeft ons  de mogelijkheid behoeftes van mensen met dementie  beter te onderzoeken. Hoewel de sociale robot nog beperkte functionaliteit heeft, zijn de toekomstige gebruikers goed in staat om na te denken over nieuwe functies.

PC5
Als je wereld kleiner wordt; een kwalitatief  onderzoek naar sociale behoeften van ouderen en de  rol van sociale technologie 

A.A. ten Bruggencate1,2, K.G. Luijkx2  , J. Sturm1
1  Fontys Hogeschool, Eindhoven, Nederland
2  Tranzo, Tilburg, Nederland

Achtergrond Sociale behoeften zijn belangrijke en basale  menselijke behoeften. In een vergrijzende samenleving  is het vervullen van sociale behoeften belangrijk voor  het behouden van het welbevinden en kwaliteit van leven bij ouderen. Sociale technologie wordt veelal door  jongeren gebruikt om in sociale behoeften te voorzien.  Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de  sociale behoeften van ouderen en de rol die sociale technologie hierin spelt. Met deze informatie stellen we mogelijkheden en voorwaarden op voor (technologische)  interventies.

Methode We hebben een verkennend kwalitatief onderzoek gedaan en 19 zelfstandig wonende ouderen geïnterviewd. Na thematische analyse werden inductieve codes verbonden aan relevante quotes.

Resultaten De resultaten geven aan dat de groep deelnemers heterogeen is en dat hun behoeften en de manier  waarop ze deze vervullen divers is. Sociale behoeften zoals verbondenheid, onafhankelijkheid, affectie, gedragsbevestiging en status zijn belangrijk voor het welbevinden van ouderen. Bronnen zoals relaties, activiteiten,  persoonlijke omstandigheden en sociale technologie  kunnen helpen om sociale behoeften te vervullen. Als er  een gebrek aan (fysieke) bronnen is, zoals bijvoorbeeld  gezondheidsproblemen, verminderde mobiliteit, overlijden van netwerkleden, angst voor afwijzing en roddel en financiële gebreken kan het vervullen van sociale  behoeften moeilijk zijn. Sociale technologie speelt een  bescheiden rol in het leven van de ouderen en in het vervullen van hun behoeften.

Conclusies We concluderen dat de wereld van ouderen  kleiner wordt en dat interventies om ouderen te ondersteunen zich op twee aspecten kunnen focussen: het ondersteunen en verbeteren van de omgeving dichtbij en  de rest van de wereld een stukje dichterbij brengen.

Groep PD: Thuis en in de wijk

PD1
Ouderen met meerdere rollen:  goed of slecht voor het welbevinden? 

F.M. Bijnsdorp, B. Suanet, M.I. Broese van Groenou  Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

Achtergrond Ouderen moeten zich steeds vaker actief  inzetten in het sociale domein. Zij moeten langer werken door de verhoogde pensioenleeftijd, terwijl zij ook  vaker mantelzorg geven door de toegenomen levensverwachting van ouderen. De toenemende druk om rollen  te combineren roept de vraag op hoe dit het welbevinden beïnvloedt. Het doel van deze studie is inzicht krijgen in de invloed van rolcombinaties op het welbevinden van Nederlandse ouderen.

Methode Data zijn afkomstig uit de Longitudinal Aging  Study Amsterdam (N respondenten=1885). De invloed  van rolcombinaties in arbeid, mantelzorg en vrijwilligerswerk op welbevinden is in kaart gebracht door middel van lineaire regressie analyses. Daarnaast is er gekeken naar het effect van de intensiteit per rol. Ook is  middels mediatie analyses gekeken of effecten van rolcombinaties en intensiteit van rollen op welbevinden  verklaard kunnen worden door sociale netwerkomvang  en ervaren regie.

Resultaten Betaald werk combineren met vrijwilligerswerk zorgt voor een afname in depressieve symptomen.  De relatie wordt gedeeltelijk verklaard door ervaren regie. Wanneer wordt gekeken naar de intensiteit van rollen, blijft het effect alleen bestaan voor betaald werk.  Intensieve mantelzorg draagt bij aan depressieve symptomen en wordt volledig gemedieerd door de mate van  ervaren regie.

Conclusies Het combineren van rollen is positief wanneer de intensiteit van de rollen niet te hoog is. Een betaalde baan beschermt tegen depressieve symptomen,  terwijl intensieve mantelzorg zorgt voor overbelasting.  Toekomstige interventies moeten zich richten op het behouden van ervaren regie.

PD2
Samenredzaamheid en verbondenheid  in de wijk 

F.C. Bakker, A.E. Harps-Timmerman, C.H.M. Smits  Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland

Achtergrond Gemeenten zoeken naar manieren om burgerinitiatieven te faciliteren die samenredzaamheid en  verbinding in een wijk stimuleren. Daarvoor moeten  gemeenten weten welke samenredzaamheid, initiatieven en verbinding er zijn binnen wijken, en wie welke  rol daarin aanneemt.

Methode Gedurende twee jaar werd actieonderzoek verricht in een zogenoemd Wijklab, volgens principes van  Practice Development. Dataverzameling vond continu  plaats en bestond onder andere uit het bezoeken van best practices van burgerinitiatieven die samenredzaamheid  en verbinding faciliteren, uit straatinterviews met burgers, uit het bijwonen van bijeenkomsten van het wijkplatform, en uit interviews met wijkprofessionals.

Resultaten Lokale, kleine initiatieven zijn weinig bekend  bij zowel burgers, professionals als beleidsmakers, of  ze worden niet herkend als burgerinitiatieven. Burgers  starten een initiatief wanneer zij de urgentie voelen om  iets te veranderen ten behoeve van de kwaliteit van hun  leefomgeving. Wanneer burgers gevraagd wordt om iets  te doen in burgerinitiatieven, roept dit bij hen weerstand  op door gebrek aan tijd, vaardigheden en verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan. Wijkprofessionals  zijn veelal onbewust bezig met samenredzaamheid, en  zien het verwijzen van burgers naar deze initiatieven als  hun rol.

Conclusies Burgers en professionals verrichten onbewust  activiteiten om de samenredzaamheid en verbinding in  een wijk te vergroten. Om de activiteiten meer bewust  uit te voeren, te stimuleren en te faciliteren, moet een  Wijkplatform bestaande uit burgers uit de wijk en een  wijkregisseur vanuit de gemeente, een herkenbare en  vindbare spil zijn in de wijk.

PD3
Netwerkverandering en gezondheid bij  thuiswonende ouderen, volgens ouderen en  wijkverpleegkundigen: wat werkt, voor wie,  in welke omstandigheden, en waarom? 

W.H. Vos, L.C. van Boekel, K.G. Luijkx,  R.T.A.J. Leenders  Tilburg University, Tilburg, Nederland

Achtergrond Netwerkverandering beïnvloedt gezondheid en vice versa, blijkt uit voornamelijk kwantitatief  onderzoek. Het doel van deze kwalitatieve studie was  om te achterhalen hoe de dynamiek van netwerkverandering en gezondheid bij thuiswonende ouderen werkt.  Dit kan formele en informele zorgverleners helpen meer  effectief te interveniëren in het sociale netwerk, zodat  ouderen langer gezond blijven.

Methode Focusgroepen zijn gehouden met 12 thuiswonende ouderen en 17 wijkverpleegkundigen, geworven  via 4 thuiszorgorganisaties, in een stad en op het platteland. De gesprekken zijn getranscribeerd, gecodeerd en  relaties tussen codes zijn vastgesteld op basis van ‘grounded theory building’. Er is beoordeeld welke thema’s belangrijk zijn en met ‘realist evaluation’ is vastgesteld of thema’s tot de ‘context’ behoren, ‘mechanismen’ zijn of  ‘uitkomsten’.

Resultaten Overlijden van de partner en aanwezigheid  van een ziekte beïnvloeden de activiteiten die worden  ondernomen, met wie en waarom. ‘Het wordt allemaal  wat minder’ lijkt een bekend en geaccepteerd gegeven  waar men liever niet op anticipeert. Is het eenmaal zover, dan wordt actie ondernomen. Netwerkverandering  lijkt vooral gevolgen te hebben voor mentale en spirituele gezondheidsaspecten, zoals veerkracht en de mate  van acceptatie van de situatie, terwijl de ervaren kwaliteit van leven beperkt beïnvloed lijkt te worden.

Conclusies De diversiteit van thuiswonende ouderen  blijkt uit de focusgroepen. Tegelijkertijd zijn mechanismen geïdentificeerd, voor netwerkverandering en gezondheid, die voor subgroepen lijken te gelden. Dit bevestigt het beeld dat meer onderzoek nodig is, naar wat  werkt, voor wie, in welke omstandigheden en waarom,  om effectief te kunnen interveniëren in het sociale netwerk van thuiswonende ouderen.

PD4
Cocreatie met Turks-Nederlandse mantelzorgers:  naar cultuursensitieve dementiezorg 

C.H.M. Smits1  , J. S. Jukema2  , G. Duran1  , G. Cumert3  ,  F.C. Bakker1
1  Hogeschool Windesheim, Zwolle, Nederland
2  Hogeschool Saxion, Deventer, Nederland
3  Zwolledoet, Zwolle, Nederland

Achtergrond Arbeidsmigranten hebben een relatief hoog  risico op dementie (Uysal-Bozkir, 2016). Zij maken echter weinig gebruik van professionele zorg omdat die niet  bij hun behoeften aansluit. De meeste zorg wordt geboden door familieleden, die zich vaak zwaar belast voelen. In ons cocreatieproject Samen aan de Slag werken  vijf mantelzorg gevende Turks-Nederlandse dochters  samen om hun eigen situatie en die van hun ouder met  dementie te verbeteren. Ze worden hierbij ondersteund  door een onderzoeker, een professional van een vrijwilligersorganisatie en studenten toegepaste gerontologie.  De onderzoeksvraag betreft de factoren die de voortgang van het project bevorderen dan wel belemmeren.

Methode De basis van dit co-creatieproject bestaat uit  actie-onderzoek vanuit een participatief design. Samenwerking en gelijkwaardige bijdrage vormen kernelementen. De mantelzorgers komen (2-) maandelijks  bijeen. Dataverzameling bestaat uit participerende observaties en semi-gestructureerde interviews.

Resultaten Het eerste cocreatie-product is een persona  dat de persoonlijke expertise en emoties van het mantelzorgen weerspiegelt. Deze persona is gebruikt in de  vervolgstappen van doelen formuleren en planning. Het  doel is cultuursensitieve zorg. Met de persona zijn criteria voor cultuursensitieve zorg ontwikkeld. Deze criteria  helpen de mantelzorgers in de samenwerking met zorgorganisaties om hun doelen te bereiken.  Cocreatie zet de expertise van eindgebruikers in. Belangrijke faciliterende factoren zijn: tijd, flexibiliteit, opbouwen van sociaal kapitaal (netwerk opbouw, relaties  en emotie, expertise en actie), erkenning van de rol en  expertise van mantelzorgers en de faciliterende rol van  de onderzoeker en professional.

Conclusies Cocreatie is een werkzame vorm om de situatie van Turks-Nederlandse mantelzorgers en hun ouder  met dementie te verbeteren.

PD5
Attituden en meningen van professionele  zorgverleners en mantelzorgers ten aanzien  van onvrijwillige zorg bij mensen met dementie  die thuis wonen

A.M.H.J. Mengelers1  , J.P.H. Hamers1  , M. Bleijlevens1  ,  H. Verbeek1  , L. Capezuti2
1  Universiteit Maastricht, Maastricht, Nederland
2  Hunter College of City University of New York, New  York, Verenigde Staten

Achtergrond Mensen met dementie blijven steeds langer thuis wonen. Complexe zorgvragen in de thuiszorg  kunnen leiden tot situaties waarin zorg geboden wordt  tegen de wil van mensen met dementie, zoals het afsluiten van deuren of mensen gedwongen wassen. Dit zijn  voorbeelden van onvrijwillige zorg. Om onvrijwillige  zorg te verminderen is het belangrijk inzicht te krijgen  in attituden t. a. v. onvrijwillige zorg. Dat is het doel van  deze studie.

Methode In deze cross-sectionele studie hebben 230  professionele zorgverleners (onder andere huisartsen,  verpleegkundigen en case managers) en 77 mantelzorgers van mensen met dementie die thuis wonen de  Maastricht Attitude Questionnaire – Home Care ingevuld. Deze vragenlijst meet attituden t. a. v. onvrijwillige zorg (53 items) en in welke mate men onvrijwillige  zorg beperkend en vervelend vindt om toe te passen (25  items). Onvrijwillige zorg bestaat uit het gebruik van 1)  gedwongen zorg, 2) psychotrope medicatie en 3) vrijheidsbeperkende maatregelen.

Resultaten Mantelzorgers accepteren het gebruik van  onvrijwillige zorg in het algemeen (P<0.001), gedwongen zorg (P<0.001), psychotrope medicatie (P=0.005)  en vrijheidsbeperkende maatregelen (P<0.001) meer  dan professionele zorgverleners. Daarnaast vinden  mantelzorgers gedwongen zorg en vrijheidsbeperkende  maatregelen minder beperkend (P<0.001 en P<0.001  respectievelijk) en minder vervelend om gedwongen  zorg en vrijheidsbeperkende maatregelen (P<0.001 en  P=0.002 respectievelijk) toe te passen. Zowel professionele zorgverleners als mantelzorgers vinden het gebruik  van vrijheidsbeperkende maatregelen het meest beperkend en vervelend.

Conclusies Onvrijwillige zorg wordt meer geaccepteerd  door mantelzorgers dan door professionele zorgverleners. Om onvrijwillige zorg te verminderen is het belangrijk dat professionele zorgverleners met mantelzorgers samenwerken en goede ondersteuning bieden.

PD6  Wat ik voel en doe als ik mij eenzaam voel.  Een kwalitatief onderzoek onder ouderen naar  coping met eenzaamheid 

I.M.C Tindemans, E Schoenmakers  Fontys Hogeschool, Eindhoven, Nederland

Achtergrond Eenzaamheid wordt beschouwd als een individuele beleving wat suggereert dat het omgaan met  eenzaamheid vraagt om maatwerk. Er is echter weinig  bekend over de individuele beleving van ouderen die  eenzaamheidsgevoelens ervaren. In dit onderzoek is onderzocht hoe ouderen hun gevoelens van eenzaamheid  ervaren, ermee omgaan en wat hun behoeften zijn.

Methode Er zijn diepte-interviews afgenomen onder  thuiswonende ouderen (74–91) die zichzelf als eenzaam  beschouwen of een gebrek aan contacten ervaren. De  gegevens zijn geanalyseerd door middel van thematische analyse (Braun & Clarke, 2006).

Resultaten Aansluitend op voorgaande studies beschouwden de respondenten eenzaamheid als een subjectieve, negatieve ervaring ten gevolge van het gebrek  aan (kwaliteit van) bepaalde relaties. Een gemis van sociale aspecten als wederkerigheid, affectie, waardering  en bezorgdheid waren gemeenschappelijke uitkomsten.  Veelal werden minderwaardigheidsgevoelens ervaren.  Eenzaamheidsgevoelens werden ervaren terwijl zij alleen en in gezelschap waren. Verschillenden respondenten hebben het gevoel dat anderen hen niet begrijpen  of hun eenzaamheidsgevoelens bagatelliseren in termen  van oplossingen. Ervaringen met en reacties op eenzaamheid kunnen geplaatst worden binnen de coping  theorie (Lazarus & Folkman, 1984). Alle respondenten  beschouwden hun eenzaamheid als stressvol (primaire  beoordeling). Tevens hanteerden alle respondenten bij  het omgaan/verminderen van hun eenzaamheidsgevoelens een vorm van probleemgerichte en/of emotiegerichte coping (secundaire beoordeling).

Conclusies Ondanks de diverse manieren van probleem- en emotiegerichte coping die ingezet werden slaagden  de respondenten er niet in om hun eenzaamheidsgevoelens op te lossen. Uit deze studie blijkt dat de coping theorie een nuttig kader kan zijn om beter te begrijpen hoe  oudere mensen hun gevoelens van eenzaamheid ervaren  en hoe ze ermee omgaan.