111 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Maria Wilhelmina Elizabeth Poldermans. Wie dan leeft…wie dan zorgt? Dissertatie Universiteit van Tilburg, 2008

In dit proefschrift staat een belangrijk maatschappelijk vraagstuk centraal: de elasticiteit van de informele zorg (alle zorg die niet professioneel wordt aangeboden) in Nederland, met name de informele zorg voor mensen buiten de familiekring. De maatschappelijke context waarin deze discussie speelt is genoegzaam bekend: de voortgaande vergrijzing en een sterke ontgroening, in combinatie met een omslag van de verzorgingsstaat naar vermaatschappelijking van de zorg. In de periode van 2015 tot 2035 stijgt het aantal inwoners van ons land terwijl vanaf 2010 de beroepsbevolking gaat dalen. Onderdeel van de groeiende groep ouderen zijn allochtone ouderen; de mensen die oorspronkelijk als gastarbeiders naar ons land zijn gekomen, inmiddels oud worden en grotendeels in ons land zullen blijven tot hun overlijden. Als inhoudelijke aanleiding voor haar onderzoek kiest de auteur een bijzonder relevant probleem: een dramatisch gevolg van de vergrijzing en het afnemen van de beroepsbevolking is dat er doodeenvoudig te weinig professionele krachten meer zullen zijn om de huidige standaard van zorg te blijven leveren. En dit betekent weer dat ouderen (en andere kwetsbare groepen) in de toekomst veel meer gebruik zullen moeten maken van informele zorg. De auteur roept de lezer op om zich te realiseren dat de tegenwoordige en toekomstige tekorten in de zorg zeker niet alleen het resultaat zijn van bezuinigingen van een zich terugtrekkende overheid. Ze hebben vooral een demografische achtergrond die we niet kunnen veranderen, maar waarop we wel kunnen anticiperen.

Poldermans heeft een verkennend onderzoek gedaan onder 30 vrouwen; gelijkelijk verdeeld over de Nederlandse, Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Molukse nationaliteit. Ook was er een differentiatie in leeftijd en burgerlijke staat. De reden dat ze haar interviews alleen met vrouwen heeft gedaan is dat zij over het algemeen het leeuwendeel van de informele zorg in Nederland verlenen. De globale vraagstelling van het onderzoek was, of er nog voldoende sociaal weefsel is in de samenleving waarmee we elkaar tot steun kunnen zijn, zowel binnen als buiten familiale kring, zowel jong als oud, zowel mensen van Nederlandse als allochtone afkomst. Uit deze vraag vloeit ook de vraag voort, hoe we – wanneer dat sociale weefsel niet sterk genoeg meer blijkt te zijn – dit kunnen herstellen opdat we met elkaar de zorg overeind houden die nodig is. De onderzoeker hanteert twee centrale begrippen: sociaal kapitaal en solidariteit. Sociaal weefsel bestaat uit sociaal kapitaal (de netwerken waar een mens over kan beschikken om op terug te vallen) en om van een sociaal weefsel te kunnen spreken is het nodig dat mensen solidair zijn met elkaar. Solidariteit en sociaal kapitaal zijn onderling afhankelijk en versterken elkaar.

De resultaten van dit onderzoek moeten beschouwd worden als indicatief omdat het een kwalitatief onderzoek geweest is met een beperkt aantal respondenten.

Een eerste belangrijke conclusie is dat de geïnterviewden zich nog niet of nauwelijks bewust waren van de toekomstige tekorten in de zorg. De informele zorgnetwerken die de geïnterviewde vrouwen op dit moment onderhielden waren vrijwel allemaal in familiale kring behalve die van moeders met kinderen (onderlinge opvang kinderen). Alleenstaande vrouwen waren zich het meest bewust van hun kwetsbare positie in de zorg en waren meer gericht op “onderling zaken doen (informele zorgnetwerken)”. Mensen om de geïnterviewde vrouwen heen vinden het vanzelfsprekend dat in eerste instantie familie hulp aanbiedt en pas als dat niet lukt, andere informele hulp aan de orde is. Er is wel bereidheid om ook buiten familiaal verband elkaar tot steun te zijn maar daar zijn grenzen aan (tijd, affiniteit, afstand, aard van de zorg) en meestal is het niet duidelijke welke vragen er in de omgeving leven op het gebied van informele zorg. Ook constateert de onderzoekster schroom om dergelijke vragen te stellen.

De eindconclusie luidt dan ook dat de overheid er niet zomaar vanuit kan gaan dat iedere burger zijn zorgvraag kan regelen in de toekomst, omdat dit afhangt van hulpbronnen zowel in de familiale als niet familiale sfeer. Op beleidsniveau adviseert Poldermans om maatregelen te nemen om informele zorg op wijk- of buurtniveau te stimuleren met projecten zoals Seniorengenossenschaften in Duitsland en het buurtzorgconcept. Een andere belangrijk actiepunt is volgens Poldermans het vergroten van de bewustwording over het tekort in de professionele zorg door wijkgesprekken en andere instrumenten.

Relevant voor de discussie over de kracht van het sociale weefsel van onze samenleving is ook het onderzoek dat onlangs door de Universiteit en Hogeschool Amsterdam is gedaan over de samenwerking tussen mantelzorgers, vrijwilligers, professionals en cliënten in de multiculturele stad. 1 De resultaten hiervan geven niet veel goede hoop voor de kracht van het sociale weefsel wat mantelzorgers betreft: de conclusie is dat eigenlijk alleen autochtone, hoog opgeleide mantelzorgers in staat zijn optimaal gebruik te maken van ondersteunende voorzieningen met hun bureaucratische werkwijze en dat overbelasting bij veel mantelzorgers op de loer ligt. Een belangrijke aanbeveling van dit onderzoek is om een emancipatiebeleid te richten op mantelzorgers: meer mannen in de mantelzorg en in de professionele zorg! Ook het belang van het ondersteunen van informele en formele netwerken van cliënten wordt door de onderzoekers onderstreept.

Het is goed dat de realiteit van de verschraling van de zorg en de daaruit voortvloeiende noodzaak van het koesteren van onze informele bronnen door Poldermans en anderen in de schijnwerpers wordt gezet. We kunnen dit tij niet meer keren, en moeten in gesprek met ervaringsdeskundigen zoeken naar wat wel en niet werkt om onze natuurlijke bronnen van onderlinge steun en zorg zo goed mogelijk in stand te houden.

Christien Begemann, Vilans

 

Literatuurlijst

  1. Tonkens E, van den Broeke, J en Hoytink,M: Weerkaatst plezier, Nicis Insitute 2008 www.nicis.nl