Achtergrond

Voor veel mensen is pensionering een levensgebeurtenis die gepaard gaat met grote veranderingen. Steun van de kinderen kan mogelijk helpen om de overgang van werk naar pensioen soepel te laten verlopen. Inzichten in intergenerationele steun bij de pensionering zijn echter schaars. In hoeverre ervaren ouders steun van hun kinderen in de transitie van werk naar pensioen en met welke factoren hangt dit samen?

Methode

De analyses zijn gebaseerd op panel data verzameld onder gepensioneerden in Nederland (N = 709). De informatie over ervaren steun van de kinderen bij pensionering werd verzameld tijdens ronde 3 in 2011.

Resultaten

Een minderheid van de gepensioneerde ouders ervaart steun van de kinderen in de transitie van werk naar pensioen. Gepensioneerden die geen partner hebben en gepensioneerden die niet goed financieel kunnen rondkomen ervaren relatief veel steun van de kinderen bij de pensionering. Dit geldt ook voor gepensioneerden die regelmatig oppassen op de kleinkinderen en die hun kinderen vaak helpen met praktische zaken.

Conclusie

Kinderen geven voornamelijk steun bij de pensionering als er sprake is van uitwisseling van steun en lijken slechts in beperkte mate te reageren op mogelijke indicatoren van behoefte aan steun rondom pensionering.

Background

Retirement is an important life event, which is often characterized by many changes in the lives of individuals. Support from children can potentially help older adults to cope with these changes. Empirical insights on intergenerational support regarding retirement are limited though. To what extent do parents experience support from their children in the transition from work to retirement and how can potential differences be explained?

Methods

The analyses are based on panel data collected among retirees in the Netherlands (N = 709). Information about experienced support from children regarding retirement was collected during Wave 3 in 2011.

Results

A minority of retired parents experiences support from their children in the transition from work to retirement. Retirees who do not have a partner and retirees having a poor financial situation are relatively likely to experience support from their children when transitioning into retirement. This is also the case for retirees who regularly take care of their grandchildren, or who often help their children with practical chores.

Conclusion

Children are more likely to support their parents if support is exchanged, and only seem to react to potential indicators of need for support surrounding retirement to a limited extent.


126 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Inleiding

De afgelopen jaren is het aandeel gepensioneerden in de bevolking aanzienlijk gestegen: van 15,2 procent in 2000 tot 18,4 procent in 2014 [ 1 ]. Ook de komende jaren zal een groot aantal oudere werknemers de overgang van werk naar pensioen maken, aangezien diverse cohorten uit de omvangrijke babyboomgeneratie de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Voor veel mensen is pensionering een levensgebeurtenis die gepaard gaat met grote veranderingen. Werken voorziet mensen niet alleen van een inkomen en een manier om hun tijd door te brengen, maar zorgt vaak ook voor sociale contacten, sociale status en betekenisgeving. Bij het wegvallen van de werkrol staan ouderen voor de uitdaging om aan deze zaken een alternatieve invulling te geven. Hun kinderen kunnen – als onderdeel van het niet-werkgerelateerde sociale netwerk dat veelal stabiel blijft rondom pensionering [ 2 ] – mogelijk een belangrijke steun vormen in dit proces. Zij kunnen bijvoorbeeld met hun ouders spreken over veranderingen rondom pensionering of hulp bieden bij het vinden van een betekenisvolle invulling van de pensioentijd. Uit eerder onderzoek blijkt dat bij het meemaken van belangrijke levensgebeurtenissen zoals verweduwing of gezondheidsverslechtering, het ontvangen van steun van de kinderen in de vorm van praktische hulp, emotionele bijstand, of als zijnde gesprekspartner een positieve invloed heeft op het welzijn van de ouder [ 3 ], al kan te veel steun juist negatieve consequenties hebben [ 4 ]. Over intergenerationele steun bij de pensionering is echter nog maar weinig bekend in de wetenschappelijke literatuur. De centrale onderzoeksvraag is: In hoeverre ervaren ouders steun van hun kinderen in de transitie van werk naar pensioen en met welke factoren hangt de mate van ervaren steun samen?

In de wetenschappelijke literatuur over pensionering wordt verondersteld dat de familie een belangrijke rol speelt in de keuzes en ervaringen rondom pensionering. In een recent overzichtsartikel onderscheiden Wang en Shultz [ 5 ] vier groepen van voorspellers van pensioneringsprocessen: macro socio-economische factoren, individuele kenmerken, werk/organisatiekenmerken en familiefactoren. Binnen die familiefactoren wordt – naast de partner – ook de rol van de kinderen bestudeerd. In de literatuur wordt er voornamelijk gekeken naar de samenhang tussen kenmerken van de gezinssituatie en pensioen gerelateerde keuzes en ervaringen. Zo laat onderzoek zien dat oudere werknemers met thuiswonende kinderen [ 6 ], financieel afhankelijke kinderen [ 7 ] en werknemers die op late leeftijd hun eerste kind hebben gekregen [ 8 , 9 ] een relatief kleine kans hebben om vroeg met pensioen te (willen) gaan. Ook is er onderzoek gedaan naar veranderingen in het sociale netwerk rondom pensionering, wat laat zien dat relaties [ 2 ] en contact met kinderen [ 10 ] tamelijk stabiel blijven, maar dat ouders na pensionering wel meer praktische hulp gaan bieden aan hun kinderen [ 11 ]. Inzichten in de steun die ouders ervaren van hun kinderen in de transitie van werk naar pensioen zijn echter beperkt.

In de bredere literatuur over intergenerationele relaties is er wel veel bekend over de uitwisseling van steun tussen ouders en hun volwassen kinderen, maar deze steun heeft dan niet specifiek betrekking op de pensioentransitie. Over het algemeen laten studies zien dat intergenerationele relaties sterk zijn [ 12 ]. Er is veel contact en uitwisseling van steun tussen ouders en hun volwassen kinderen, al is de mate waarin dit gebeurt sterk afhankelijk van bijvoorbeeld de landencontext en de levensfase van de betrokkenen [ 13 ]. Ook kan een deel van de relaties tussen ouders en kinderen als ‘ambivalent’ worden bestempeld. In deze relaties komt niet alleen een hoge mate van steun voor, maar ook een hoge mate van conflict [ 14 ]. Ten aanzien van het geven van steun – dat ook wel functionele intergenerationele solidariteit wordt genoemd [ 15 ] – wordt vaak onderscheid gemaakt tussen instrumentele steun (zoals verzorging of huishoudelijk werk), financiële steun en sociaal-emotionele steun [ 12 ]. In de literatuur over intergenerationele relaties worden verschillende theorieën gebruikt om te verklaren waarom kinderen hun ouders steun geven. In de huidige studie zullen deze theorieën worden toegepast op de pensioentransitie, om verwachtingen te formuleren over de voorspellers van ervaren steun van de kinderen bij pensionering.

Een eerste theoretisch perspectief dat vaak wordt gebruikt is gebaseerd op het principe van altruïsme. In dit perspectief wordt er vanuit gegaan dat mensen binnen de familie over het algemeen bereid zijn elkaar te helpen als daar behoefte aan is, omdat het welbevinden van familieleden belangrijk wordt gevonden. Degenen die steun nodig hebben zullen worden geholpen, zonder dat zij daar iets voor terug hoeven te doen. In lijn met dit perspectief laat onderzoek zien dat kinderen reageren op de behoefte die hun ouders hebben aan steun, waarbij factoren als partnerstatus, gezondheid, opleidingsniveau en financiële positie als indicatoren voor behoefte aan steun worden gebruikt [ 16 , 17 , 18 ]. Er kan daarom worden verwacht dat hoe meer steun ouders nodig hebben bij de pensionering, hoe meer steun ze van hun kinderen zullen ontvangen (Hypothese 1: behoefte-hypothese). Niet alle gepensioneerden hebben evenveel behoefte aan steun. Voor sommigen kost pensionering grote moeite, terwijl anderen zich snel en gemakkelijk aanpassen aan de nieuwe situatie. Eerder onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen die veel uren werkten voor hun pensionering relatief veel moeite hebben met aanpassing aan pensioen, evenals mensen die onvrijwillig met pensioen zijn gegaan [ 19 ]. Voor ouderen zonder partner en voor degenen met een slechte gezondheid en een lage SES is de pensioentransitie eveneens ingrijpend, omdat ze weinig hulpbronnen hebben om het verlies van de werkrol te compenseren [ 19 , 20 ]. Vanuit de behoefte-hypothese kan worden verwacht dat deze gepensioneerden relatief veel steun van hun kinderen zullen ervaren bij de transitie van werk naar pensioen.

Een tweede theoretisch perspectief dat veel wordt toegepast in de literatuur over intergenerationele relaties is gebaseerd op het principe van uitwisseling. Dit perspectief veronderstelt dat de ‘kosten’ van het geven van steun aan een ander in termen van tijd en energie, zullen worden gecompenseerd door de ‘baten’ van het ontvangen van steun door die ander. De norm van reciprociteit zorgt ervoor dat als mensen iets krijgen ze er ook altijd iets voor terug zullen geven, hoewel dit in de relatie tussen ouders en kinderen niet dezelfde vorm hoeft aan te nemen of op hetzelfde moment hoeft te gebeuren, maar moet worden bezien binnen de totale levensloop [ 21 ]. Onderzoek laat zien dat ouders die hulp geven aan hun kinderen ook een grotere kans hebben om hulp van hen te ontvangen [ 17 ]. Vanuit deze lijn van redeneren wordt daarom verwacht dat hoe meer steun ouders geven aan hun kinderen, hoe meer steun ze van hun kinderen ontvangen bij de pensionering (Hypothese 2: uitwisselings-hypothese). Zo valt bijvoorbeeld te verwachten dat gepensioneerden die regelmatig oppassen op hun kleinkinderen, of gepensioneerden die hun kinderen helpen met praktische klussen in huis, relatief veel steun zullen ervaren van hun kinderen bij de pensioentransitie.

In het hier gerapporteerde onderzoek wordt de steun die ouders van hun kinderen ervaren bij de pensionering onderzocht aan de hand van panel data die tussen 2001 en 2011 zijn verzameld onder meer dan 700 ouderen in Nederland. Gezien het feit dat de respondenten in 2001 werkzaam waren en daarna volledig met pensioen zijn gegaan, kunnen we de ervaren steun van de kinderen bij de pensionering (gemeten in 2011) voorspellen aan de hand van de werksituatie voor pensionering, kenmerken van de pensioentransitie en kenmerken van het leven als gepensioneerde. De studie draagt enerzijds bij aan de literatuur door in beschrijvende zin inzicht te geven in de mate van steun die ouders van hun kinderen ervaren bij de pensionering. Er wordt een nieuw meetinstrument gebruikt, waarin aan gepensioneerden is gevraagd in hoeverre ze steun van hun kinderen ervaren in de transitie van werk naar pensioen. Deze meting bevat twee specifieke stellingen die gaan over de kinderen als gesprekspartner in het pensioneringsproces (een vorm van sociaal-emotionele steun) en twee breder geformuleerde stellingen waarin het type steun ongedifferentieerd blijft. Anderzijds draagt deze studie bij aan de literatuur door inzicht te bieden in factoren die samenhangen met verschillen tussen gepensioneerden in steun die ze ervaren van hun kinderen bij de pensionering.

Methode

Onderzoeksgroep

In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van data van het NIDI Werk en Pensioen Panel. In 2001 zijn voor het eerst vragenlijsten afgenomen bij oudere werknemers (50 tot 64 jaar) die op dat moment werkzaam waren bij de Rijksoverheid en een drietal bedrijven in de private sector. In totaal zijn er tijdens de eerste ronde 3899 enquêtes verstuurd via de post, waarvan er 2403 zijn ingevuld (62 % response). De respondenten zijn in 2006/7 (ronde 2) en 2011 (ronde 3) opnieuw benaderd, voor zover dit mogelijk was. Sommige deelnemers konden niet opnieuw worden benaderd vanwege overname van een bedrijfsonderdeel, overlijden, of omdat ze niet traceerbaar waren. In 2006/7 werden 2239 vragenlijsten verstuurd, waarvan er 1678 werden ingevuld (75 % response). In 2011 werden er van de 1638 uitgestuurde vragenlijsten 1276 ingevuld retour gezonden (78 % response). Een groot deel van de respondenten was op het tijdstip van de tweede en derde ronde gepensioneerd.

De stellingen over ervaren steun van de kinderen bij de pensionering zijn tijdens de derde dataverzamelingsronde alleen voorgelegd aan volledig gepensioneerde respondenten met kinderen. De basissteekproef voor deze studie bestaat daarom uit 754 respondenten die tijdens de derde dataverzamelingsronde volledig met pensioen waren (ze hebben tijdens de studie periode gebruik gemaakt van een regeling voor vervroegde uittreding of zijn op de leeftijd van 65 jaar met pensioen gegaan en rapporteren geen uren betaald werk) en één of meerdere kinderen hebben. De overige 522 deelnemers aan de derde dataverzamelingsronde hadden geen kinderen of verrichtten betaald werk in een carrièrebaan of doorstartbaan en konden daarom niet worden opgenomen in de basissteekproef. Volledig gepensioneerde respondenten met kinderen die missende waarden hebben op de meting van ervaren steun van de kinderen bij pensionering (n = 45) worden niet meegenomen in de analyses. De steekproef voor de analyses bestaat daarom uit 709 respondenten. Zij zijn tussen de 60 en 75 jaar oud (gemiddelde leeftijd is 65 jaar) en 23 % is vrouw. Gemiddeld genomen waren de respondenten 5,5 jaar met (vervroegd) pensioen tijdens de derde dataverzamelingsronde.

Meetinstrumenten

Afhankelijke variabele – Tijdens de derde dataverzamelingsronde zijn er aan de volledig gepensioneerde respondenten vier Likert items met vijf antwoordmogelijkheden (1 = helemaal mee eens tot 5 = helemaal mee oneens; andersom gecodeerd in de analyses) voorgelegd over de steun die ze van hun kinderen ervaren in de transitie van werk naar pensioen (zie tab. 1). Een exploratieve factoranalyse met deze vier items (‘principal factors’ methode) geeft 1 factor met een eigenwaarde groter dan 1,00 (eigenwaarde = 1,54), wat suggereert dat de items één onderliggend concept meten. De schaal om ervaren steun van de kinderen bij de pensionering te meten is geconstrueerd door de gemiddelde waarde te nemen van de scores op de beschikbare items (ten minste 2 van de 4 items moeten zijn beantwoord om een schaalscore te krijgen – 98,3 % van de respondenten heeft alle 4 de items ingevuld); M = 2,50, SD = 0,73. De Cronbachs alfa van de schaal is 0,73. Tab. 2 toont de correlatie tussen de items en item-test correlaties. Hoe hoger de score op de schaal, hoe meer steun ouders van hun kinderen ervaren in de transitie van werk naar pensioen.

Tabel 1 Beschrijvende statistieken items ervaren steun van de kinderen bij pensionering.

stelling helemaal mee oneens (%) oneens (%) niet eens, niet oneens (%) mee eens (%) helemaal mee eens (%)
1. ik heb veel met mijn kinderen gepraat over het leven na mijn pensioen (n = 704) 18,6 45,9 25,0 9,8 0,7
2. mijn kinderen vragen vaak hoe het is om gestopt te zijn met werken (n = 707) 15,6 40,7 30,7 12,6 0,4
3. mijn kinderen zijn een grote steun voor me, nu ik niet meer werk (n = 705) 11,5 22,1 43,7 19,2 3,6
4. als ik geen kinderen had gehad, was het leven na mijn pensioen veel moeilijker geweest (n = 707) 23,5 29,7 26,5 16,8 3,5

Tabel 2 Samenhang tussen items uit de afhankelijke variabele ervaren steun van de kinderen bij pensionering.

correlatie tussen stellingen over ervaren steun van de kinderen bij pensionering factor ladingen “Item-test” correlatieª
1 2 3
1. ik heb veel met mijn kinderen gepraat over het leven na mijn pensioen 0,66 0,75
2. mijn kinderen vragen vaak hoe het is om gestopt te zijn met werken 0,53 0,60 0,71
3. mijn kinderen zijn een grote steun voor me, nu ik niet meer werk 0,41 0,33 0,62 0,76
4. als ik geen kinderen had gehad, was het leven na mijn pensioen veel moeilijker geweest 0,38 0,31 0,49 0,60 0,76

ª De item-test correlatie geeft de correlatie weer tussen de schaal “ervaren steun van de kinderen bij pensionering” en de verschillende items uit de schaal.

Onafhankelijke variabelen – Het aantal werkuren werd bepaald aan de hand van gegevens over het aantal uren dat respondenten per week werkten (zonder overwerk) voor pensioen. Er werd gebruik gemaakt van de meting van werkuren op het meetmoment direct voorafgaand aan pensionering (van ronde 1 bij pensionering tussen T1 en T2; van ronde 2 bij pensionering tussen T2 en T3). Of de pensioentransitie als onvrijwillig is ervaren, werd gemeten aan de hand van de vraag “Hebt u de beslissing om te stoppen geheel vrijwillig genomen of niet?”. Hier werd gebruik gemaakt van de meting op het meetmoment direct volgend op pensionering (van ronde 2 bij pensionering tussen T1 en T2; van ronde 3 bij pensionering tussen T2 en T3). De antwoorden werden gecodeerd als dummy-variabele, waarbij de waarde 1 aangeeft dat de respondent onvrijwillig met pensioen is gegaan. Of de respondenten wel of geen partner hebben werd gemeten op het derde meetmoment aan de hand van vragen over burgerlijke staat en partnerstatus. Respondenten zonder partner krijgen de waarde 1, respondenten met partner (gehuwd/samenwonend/LAT-relatie) de waarde 0. De subjectieve gezondheid van de respondent is gemeten tijdens ronde 3 aan de hand van de vraag “Hoe is het in het algemeen met uw gezondheid?” (1 = erg slecht tot 5 = erg goed). De hoogste met een diploma afgesloten opleiding is gemeten tijdens ronde 1 en is gecodeerd in 3 categorieën: laag (lagere school, LBO, mulo/mavo), midden (MBO) en hoog (HBO, universiteit). Subjectieve inkomenssituatie is gemeten met de volgende vraag tijdens ronde 3: “Hoe goed kunt u rondkomen met uw huidige inkomen?” (1 = erg slecht tot 5 = erg goed). Hoe vaak de respondenten oppassen op hun kleinkinderen werd in ronde 3 gemeten met de vraag “Past u wel eens op op uw kleinkinderen?”. Deze vraag had de volgende antwoordcategorieën: nee; ja, dagelijks/meerdere keren per week; ja, ongeveer wekelijks; ja, ongeveer maandelijks; ja, een paar keer per jaar; n.v.t, ik heb geen kleinkinderen. In de analyses worden deze categorieën gecodeerd in vier groepen: de respondenten met kleinkinderen die nooit oppassen (referentiegroep), die soms oppassen (maandelijks of paar keer per jaar), die vaak oppassen (wekelijks of meerdere keren per week) en de respondenten zonder kleinkinderen. Of de respondenten praktische hulp geven aan hun kinderen is in ronde 3 bepaald aan de hand van de vraag “Helpt u uw kinderen wel eens met praktische zaken, zoals klussen in huis of huishoudelijke taken?”. Opnieuw zijn hier de ‘meerdere keren per week’ en de ‘wekelijkse’ categorie samen genomen. De maandelijkse en jaarlijkse categorieën worden wel uit elkaar gehouden, omdat de jaarlijkse categorie erg groot is.

Controle variabelen – In dit onderzoek wordt gecontroleerd voor diverse kenmerken van de respondent en diens familiesituatie, zoals voor geslacht (0 = man, 1 = vrouw), aantal kinderen en of men financieel afhankelijke kinderen heeft tijdens ronde 3 (0 = geen, 1 = wel financieel afhankelijke kinderen). Dit is gemeten aan de hand van de vraag “Hebt u kinderen die nog financieel afhankelijk van u zijn?”. Verder wordt er gecontroleerd voor de leeftijd van de respondent, het aantal jaren dat is verstreken sinds de pensionering en de organisatie waar de respondent werkzaam was. De beschrijvende statistieken van de onafhankelijke variabelen en de controle variabelen worden gepresenteerd in tab. 3.

Tabel 3 Beschrijvende statistieken van de afhankelijke, onafhankelijke en controle variabelen ª.

variabele M SD
afhankelijke variabele
ervaren steun van de kinderen bij pensionering (schaal van 1–5) 2,50 0,73
indicatoren behoefte aan steun
werkuren per week voor pensionering (8–40 uur) 36,17 7,36
onvrijwillig pensioen 0,29 0,46
geen partner 0,09 0,28
gezondheid (schaal van 1–5) 4,00 0,82
opleidingsniveau
laag 0,38 0,48
gemiddeld 0,28 0,45
hoog 0,35 0,48
financieel rondkomen (schaal van 1–5) 3,93 0,80
indicatoren uitwisseling van steun
oppassen op kleinkinderen
nooit 0,11 0,31
maandelijks/paar keer per jaar 0,32 0,47
wekelijks/meerdere keren per week 0,35 0,48
N.v.t., geen kleinkinderen 0,22 0,42
praktische hulp
nooit 0,23 0,42
paar keer per jaar 0,49 0,50
maandelijks 0,16 0,36
wekelijks/meerdere keren per week 0,12 0,33
controle variabelen
vrouw 0,23 0,42
aantal kinderen
1 kind 0,14 0,35
2 kinderen 0,64 0,48
3 kinderen 0,15 0,36
4+ kinderen 0,06 0,25
financieel afhankelijke kinderen 0,07 0,26
leeftijd (60–75 jaar) 65,09 2,77
jaren sinds pensionering (0–10 jaar) 5,51 2,76
organisatie
rijkoverheid 0,37 0,48
bedrijf 1 0,19 0,39
bedrijf 2 0,23 0,42
bedrijf 3 0,21 0,40

ª De beschrijvende statistieken zijn gebaseerd op de waarden voorafgaand aan imputatie van de missende waarden.

Analyses

Om de hypotheses te toetsen wordt een lineaire regressieanalyse uitgevoerd. Het aantal missende waarden op de onafhankelijke en controle variabelen was laag (maximaal 2,4 % op de meting van de subjectieve inkomenssituatie). De missende waarden zijn geïmputeerd door middel van een multipele imputatie procedure, wat inhoudt dat ontbrekende scores (waarvan de werkelijke waarde onbekend is) meerdere keren worden opgevuld. De variabelen met missende waarden werden 25 keer geïmputeerd (er werden 25 datasets gecreëerd) door gebruik te maken van de informatie van de afhankelijke, onafhankelijke en controle variabelen (Stata 12: mi impute chained). Daarna is het regressiemodel geschat voor al deze 25 datasets en zijn de resultaten gecombineerd (Stata 12: mi estimate). Deze procedure heeft als belangrijk voordeel ten opzichte van enkelvoudige imputatie dat de onzekerheid die ontstaat door het ontbreken van informatie wordt meegenomen bij de schatting van standaardfouten.

Resultaten

Beschrijvende resultaten

De beschrijvende statistieken van de items om ervaren steun van de kinderen bij pensionering te meten worden weergegeven in tab. 1. Over het algemeen laten de resultaten zien dat slechts een minderheid van de respondenten steun van de kinderen zegt te ontvangen bij de pensionering. Ongeveer 11 % heeft veel met de kinderen gepraat over het leven na pensioen en 13 % geeft aan dat de kinderen vaak vragen hoe het is om gestopt te zijn met werken. Met het item “Mijn kinderen zijn een grote steun voor me, nu ik niet meer werk” is 23 % van de respondenten het (helemaal) eens. Ongeveer 20 % geeft aan dat het leven na pensioen veel moeilijker zou zijn geweest als men geen kinderen had gehad. Als de antwoorden op de verschillende stellingen gezamenlijk worden bekeken (staat niet in de Tabel), dan blijkt dat slechts 6 % het (helemaal) eens is met 3 of alle 4 de stellingen. Ongeveer 61 % van de respondenten heeft op geen van de stellingen ‘(helemaal) eens’ geantwoord en blijkt daarom weinig steun van de kinderen te ervaren in de transitie van werk naar pensioen.

Multivariate resultaten

De resultaten van de multivariate regressieanalyse worden getoond in tab. 4. Voor het toetsen van de ‘behoefte-hypothese’ (Hypothese 1) werden zes factoren onderzocht. Voor ouders die meer uren werkten, onvrijwillig met pensioen zijn gegaan en voor degenen zonder partner werd verwacht dat ze relatief veel steun van hun kinderen zullen ervaren bij pensionering. Voor ouders met een goede subjectieve gezondheid, een hoger opleidingsniveau en een goede financiële situatie werd juist verwacht dat ze relatief weinig steun van de kinderen ervaren bij pensionering. De resultaten laten zien dat alleen voor partnerstatus en subjectieve inkomenssituatie de verwachte effecten worden gevonden. Gepensioneerden die geen partner hebben ervaren meer steun van de kinderen bij de pensionering dan degenen met een partner. Ouders die aangeven dat zij minder goed financieel kunnen rondkomen, ervaren relatief veel steun van hun kinderen bij de pensionering. Ook voor opleidingsniveau wordt een effect in de verwachte richting gevonden (hoger opgeleiden ervaren relatief weinig steun), maar dit effect is niet significant op 5 % niveau.

Tabel 4 Resultaten van multivariate regressieanalyse voor de verklaring van ervaren steun van de kinderen bij pensionering, coëfficiënten en standaardfouten.

variabele coef SE
constante 0,93 0,78
indicatoren behoefte aan steun
werkuren per week voor pensionering − 0,00 0,00
onvrijwillig pensioen 0,02 0,06
geen partner 0,44 *** 0,10
gezondheid − 0,02 0,03
opleidingsniveau
laag ref
gemiddeld 0,03 0,07
hoog − 0,12 * 0,07
financieel rondkomen − 0,09 ** 0,03
indicatoren uitwisseling van steun
oppassen op kleinkinderen
nooit ref
maandelijks/paar keer per jaar 0,16 * 0,09
wekelijks/meerdere keren per week 0,45 *** 0,09
N.v.t., geen kleinkinderen 0,22 ** 0,10
praktische hulp
nooit ref
paar keer per jaar 0,15 ** 0,07
maandelijks 0,29 *** 0,09
wekelijks/meerdere keren per week 0,34 *** 0,09
controle variabelen
vrouw 0,05 0,09
aantal kinderen
1 kind ref
2 kinderen 0,13 0,08
3 kinderen 0,24 ** 0,10
4+ kinderen 0,12 0,13
financieel afhankelijke kinderen − 0,21 ** 0,10
leeftijd 0,03 ** 0,01
jaren sinds pensionering − 0,02 * 0,01
organisatie
rijkoverheid ref
bedrijf 1 0,14 * 0,08
bedrijf 2 − 0,06 0,08
bedrijf 3 − 0,03 0,09
N 709
F (23,682,8) 6,28 ***

Missende waarden zijn geïmputeerd door middel van multipele imputatie.Noot: *p < 0,10; **p < 0,05; ***p < 0,01

Voor het toetsen van de ‘uitwisselings-hypothese’ (Hypothese 2) is nagegaan of ouders die hun kinderen vaker helpen – bijvoorbeeld door op te passen op de kleinkinderen of hulp te bieden bij praktische klussen in huis – meer steun bij de pensionering ervaren dan degenen die hun kinderen niet op deze manieren helpen. De resultaten zijn over het algemeen in lijn met de hypothese. Er blijkt dat met name gepensioneerden die wekelijks oppassen op hun kleinkinderen meer steun ervaren van hun kinderen dan respondenten die nooit oppassen. Voor ouders die minder frequent oppassen is het effect wel in de verwachte richting, maar niet significant op een 5 % niveau. Verder blijkt dat als men geen kleinkinderen heeft, men meer steun ervaart dan als men wel kleinkinderen heeft maar nooit oppast. Gepensioneerden die hun kinderen helpen bij praktische zaken in huis of met het huishouden ervaren meer steun van hun kinderen bij de pensionering dan ouders die dit nooit doen. Hoe vaker men dit doet, hoe groter het effect is.

Om de robuustheid van deze bevindingen na te gaan, is als aanvullende analyse het statistische model apart geschat met een meting van ‘spreken met de kinderen over pensionering’ als afhankelijke variabele (op basis van 2 items) en een meting van ‘algemene ervaren steun van kinderen bij pensionering’ (op basis van 2 items) als afhankelijke variabele (tab. 5). De conclusies van de studie veranderen niet substantieel wanneer de specifieke stellingen en de algemene stellingen over ervaren steun apart geanalyseerd worden.

Tabel 5 Resultaten van multivariate regressieanalyse voor de verklaring van specifieke en algemene ervaren steun van de kinderen bij pensionering, coëfficiënten en standaardfouten.

specifieka algemeenb
variabele coef SE coef SE
constante 1,26 0,88 0,63 0,98
indicatoren behoefte aan steun
werkuren per week voor pensionering − 0,00 0,01 − 0,00 0,01
onvrijwillig pensioen 0,02 0,07 0,04 0,08
geen partner 0,34 *** 0,11 0,49 *** 0,12
gezondheid 0,02 0,04 − 0,06 0,04
opleidingsniveau
laag ref ref
gemiddeld − 0,05 0,08 0,12 0,09
hoog − 0,18 ** 0,08 − 0,04 0,09
financieel rondkomen − 0,09 ** 0,04 − 0,08 ** 0,04
indicatoren uitwisseling van steun
oppassen op kleinkinderen
nooit ref ref
maandelijks/paar keer per jaar 0,15 0,10 0,20 * 0,11
wekelijks/meerdere keren per week 0,37 *** 0,10 0,56 *** 0,12
N.v.t., geen kleinkinderen 0,22 ** 0,11 0,24 ** 0,12
praktische hulp
nooit ref ref
paar keer per jaar 0,16 ** 0,08 0,16 * 0,09
maandelijks 0,22 ** 0,10 0,34 *** 0,11
wekelijks/meerdere keren per week 0,26 ** 0,11 0,40 *** 0,12
controle variabelen
vrouw − 0,03 0,10 0,16 0,12
aantal kinderen
1 kind ref ref
2 kinderen 0,08 0,09 0,16 0,10
3 kinderen 0,22 * 0,11 0,26 ** 0,13
4+ kinderen − 0,05 0,14 0,26 0,16
financieel afhankelijke kinderen − 0,15 0,12 − 0,26 ** 0,13
leeftijd 0,02 0,01 0,03 ** 0,01
jaren sinds pensionering − 0,04 *** 0,01 − 0,00 0,01
organisatie
rijkoverheid ref ref
bedrijf 1 0,14 * 0,09 0,15 0,10
bedrijf 2 − 0,06 0,08 − 0,09 0,09
bedrijf 3 − 0,08 0,10 0,01 0,11
N 702 704
F 3,91 5,88

Missende waarden zijn geïmputeerd door middel van multipele imputatie.Noot: *p < 0,10; **p < 0,05; ***p < 0,01a Gemiddelde waarde van de scores op de stellingen “Ik heb veel met mijn kinderen gepraat over het leven na mijn pensioen” en “Mijn kinderen vragen vaak hoe het is om gestopt te zijn met werken”.b Gemiddelde waarde van de scores op de stellingen “Mijn kinderen zijn een grote steun voor me, nu ik niet meer werk” en “Als ik geen kinderen had gehad, was het leven na mijn pensioen veel moeilijker geweest”.

Diverse controlevariabelen blijken eveneens samen te hangen met de mate van steun die ouders van hun kinderen ervaren bij de pensionering (zie tab. 4). Ouders die kinderen hebben die nog financieel afhankelijk van hen zijn, ervaren gemiddeld genomen minder steun in het pensioenproces dan ouders die geen financieel afhankelijke kinderen hebben. Het aantal kinderen speelt ook een rol: ouders met 3 kinderen zeggen meer steun te krijgen dan ouders die 1 kind hebben. Er wordt geen verschil gevonden tussen mannen en vrouwen in de mate van steun die ze ervaren van hun kinderen in de transitie van werk naar pensioen.

Discussie

Pensionering is een belangrijke gebeurtenis in het leven van ouderen. Ondanks dat eerder onderzoek laat zien dat keuzes en ervaringen rondom pensionering samenhangen met de familiesituatie van de gepensioneerde [ 69 ], is er weinig bekend over de steun die ouders ervaren van hun kinderen in de overgang van werk naar pensioen. Om ons inzicht in dit fenomeen te vergroten, is in deze studie expliciet aan gepensioneerden gevraagd in hoeverre ze steun van hun kinderen ervaren bij de pensionering. Slechts een kleine groep gepensioneerden blijkt met de kinderen over pensionering te praten of hen als steun te ervaren tijdens de overgang van werk naar pensioen. Ongeveer zestig procent van de respondenten heeft op geen van de stellingen over steun van de kinderen positief geantwoord. Dit is opvallend, aangezien de literatuur over pensionering laat zien dat de pensioentransitie wel uitgebreid met de partner wordt gedeeld. Pensionering is voor veel oudere werknemers een onderwerp waar met de partner over wordt gesproken [ 22 ] en partners hebben grote invloed op elkaars beslissingen rondom pensionering [ 23 ]. Ouderen zonder partner (bijvoorbeeld vanwege een echtscheiding) zijn een kwetsbare groep in het pensioneringsproces. Eerder onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat zij een relatief grote kans hebben om de sociale contacten en status van het werk te missen [ 24 ]. De resultaten van de huidige studie laten zien dat juist deze gepensioneerden – degenen zonder partner – relatief veel steun van de kinderen bij de pensionering ervaren, evenals gepensioneerden die niet goed financieel kunnen rondkomen. Mogelijk steunen gepensioneerden graag op hun partner in het pensioneringsproces en komen de kinderen veelal pas in beeld als een partner ontbreekt of als de partner niet de benodigde steun kan bieden.

Deze resultaten komen overeen met de verwachtingen op basis van theorieën over altruïsme, namelijk dat ouders die meer behoefte hebben aan steun bij pensionering, ook meer steun zullen ervaren van hun kinderen. Naast de partnerstatus en financiële situatie van de ouder, werd ook de rol van diverse andere factoren onderzocht die in eerder onderzoek voorspellers bleken te zijn voor moeite met aanpassing aan pensionering: het aantal werkuren voorafgaand aan pensionering, de vrijwilligheid van pensionering, de subjectieve gezondheidssituatie en het opleidingsniveau van de ouder. De verwachte effecten van deze vier laatstgenoemde factoren werden echter niet geobserveerd. Dit zou kunnen betekenen dat kinderen niet in algemene zin reageren op de behoefte van hun ouders aan steun bij de pensionering, bijvoorbeeld omdat zij zich niet bewust zijn van deze behoefte. Ook kan het zo zijn dat de gehanteerde indirecte metingen van behoefte aan steun geen goede indicatoren waren van de werkelijke behoefte aan steun bij de pensionering, of dat de steun niet bij de kinderen werd gezocht.

Op basis van het theoretische principe van uitwisseling werd verwacht dat ouders die meer steun aan hun kinderen geven, ook meer steun rondom pensionering zullen ervaren. De resultaten zijn in lijn met dit principe. Hoe meer ouders oppassen op hun kleinkinderen, hoe meer steun zij bij de pensionering ervaren van hun kinderen. Ook ouders die hun kinderen regelmatig helpen in het huishouden, ervaren van de kinderen meer steun in het pensioneringsproces. Toch blijft de theoretische vraag bestaan of dit geheel toe te schrijven is aan het ‘voor wat, hoort wat’ uitwisselingsprincipe. Een alternatieve verklaring is dat zowel het aanbieden van steun als het ontvangen van steun sterk samenhangt met factoren als de contactfrequentie tussen ouders en kinderen (die uiteraard groter is als er vaker op de kleinkinderen gepast wordt en praktische hulp wordt verstrekt), of bepaalde normen binnen de familie. Deze mogelijk achterliggende factoren zijn in de huidige studie niet gemeten, aangezien de focus van de dataverzameling lag bij de thema’s werk en pensioen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in eerder onderzoek naar intergenerationele steun, het effect van directe reciprociteit blijft bestaan wanneer er wel voor dit type potentiele achterliggende factoren wordt gecontroleerd [ 25 ]. Verder was er geen informatie beschikbaar over de steun die ouders eerder in hun leven aan hun kinderen hebben gegeven, waardoor het niet mogelijk was om de notie van lange-termijn reciprociteit [ 21 ] te toetsen.

Moeders en vaders blijken niet van elkaar te verschillen in de mate van steun van de kinderen die ze ervaren bij pensionering. Dit is een opvallend resultaat aangezien in de bredere literatuur over intergenerationele relaties vaak wordt gevonden dat vrouwen meer contact met de kinderen hebben [ 26 ] en meer steun ontvangen dan mannen [ 25 ]. Wellicht speelt hier de focus op de overgang van werk naar pensioen een rol. Vrouwen die tot aan hun pensioen doorwerken vormen – zeker in de cohorten waar de huidige studie zich op richt – een selecte groep van gemotiveerde, werk georiënteerde vrouwen die in hun behoeften en investeringen in familierelaties mogelijk weinig verschillen van mannen. Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is of deze beperkte verschillen naar geslacht in stand blijven, nu de arbeidsparticipatie van vrouwen tijdens de late carrière aanzienlijk stijgt.

Bij de interpretatie van de resultaten moeten enkele tekortkomingen van de studie in acht worden genomen. Ten eerste, ondanks dat de beschikbaarheid van informatie over ervaren steun van de kinderen bij de pensionering een krachtig aspect van de data is, heeft de meting ook tekortkomingen. Zo is de steun alleen gemeten bij de ouder. Het is goed mogelijk dat het gerapporteerde niveau van ervaren steun niet overeen komt met het niveau dat de kinderen zouden rapporteren [ 25 ]. Verder wordt in twee van de stellingen het type steun dat de ouders ervaren niet nader gespecificeerd. Steun van de kinderen bij pensionering zou meerdere dimensies kunnen hebben (naast praten bijvoorbeeld ook ondersteuning bij het vinden van een nieuw dagritme of financiële steun), maar deze kunnen met de beschikbare informatie niet worden onderscheiden. Ten tweede zijn de stellingen uit de afhankelijke variabele alleen voorgelegd aan volledig gepensioneerde respondenten met kinderen. Of ouders volledig met pensioen zijn kan echter het resultaat zijn van een selectief proces, waarbij ouders voor wie pensionering aantrekkelijk is een grotere kans hebben om de pensioentransitie te hebben gemaakt. Wellicht draagt dit bij aan het relatief kleine percentage ouders dat steun van kinderen ervaart. Ten derde zijn de stellingen over steun van de kinderen bij pensionering alleen opgenomen in de derde dataverzamelingsronde. Ondanks dat sommige voorspellers voorafgaand aan pensionering zijn gemeten (zoals werkuren), zijn andere voorspellers alleen gemeten tijdens deze derde ronde (zoals de steun die ouders geven aan hun kinderen). Het is daardoor niet mogelijk om uitspraken te doen over de causaliteit van de bestudeerde relaties. Ten vierde zijn de data verzameld onder oud-werknemers van een viertal grote organisaties. De steekproef vormt daardoor niet noodzakelijk een representatieve afspiegeling van de totale populatie gepensioneerden in Nederland.

Ondanks deze tekortkomingen, levert deze studie belangrijke eerste inzichten ten aanzien van intergenerationele steun in de overgang van werk naar pensioen. Pensionering blijkt over het algemeen een levensgebeurtenis te zijn die niet uitgebreid gedeeld wordt met de kinderen. Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is in hoeverre dit wijst op een gemiste kans voor steunuitwisseling. Eerdere onderzoeksresultaten die laten zien dat aanpassing aan pensionering in Nederland voor de meerderheid van de gepensioneerden gemakkelijk en snel verloopt [ 19 ] kunnen erop wijzen dat ouderen weinig steun nodig hebben bij pensionering, maar kunnen er ook op wijzen dat veel ouderen voldoende steun bij pensionering ontvangen door andere mensen in hun sociale netwerk dan hun kinderen. In hoeverre hebben ouderen er behoefte aan om te spreken over pensionering? Bij wie zoeken ze in eerste instantie steun? Is er pas behoefte aan steun van de kinderen wanneer de partner, vrienden, of oud-collega’s die zich in een vergelijkbare levensfase bevinden niet de gewenste steun kunnen bieden? Of is steun van de kinderen wel gewenst, maar geven ze veelal ‘niet thuis’? Interessante vragen voor toekomstig onderzoek zijn daarom in hoeverre ouders steun van hun kinderen willen ontvangen bij de pensionering, hoeveel steun zij ervaren van de partner, vrienden of andere leeftijdsgenoten en wat de consequenties daarvan zijn voor hun welzijn in de overgang van werk naar pensioen.

Dit werk is financieel ondersteund door beurzen van NWO en Netspar.

Funding

Netherlands Organization for Scientific Research NWO (VICI-grant 453-14-001 to K.H.) and Netspar (Small Vision Grant)

Literatuurlijst

  1. Centraal Bureau voor de Statistiek. Meer dan de helft van de werknemers bij pensionering 65 jaar of ouder 2015. www.cbs.nl. Geconsulteerd: 31 augustus 2015
  2. Van Tilburg TG. Support networks before and after retirement. Journal of Social and Personal Relationships. 1992;9433-445. 10.1177/0265407592093006
  3. Silverstein M, Bengtson VL. Does intergenerational social support influence the psychological well-being of older parents? The contingencies of declining health and widowhood. Social Science & Medicine. 1994;38(7):943-957. 10.1016/0277-9536(94)90427-8
  4. Djundeva M, Mills M, Wittek R, Steverink N. Receiving instrumental support in late parent–child relationships and parental depression. Journals of Gerontology, Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2014;-
  5. Wang M, Shultz KS. Employee retirement: A review and recommendations for future investigation. Journal of Management. 2010;36(1):172-206. 10.1177/0149206309347957
  6. Raymo JM, Sweeney MM. Work–family conflict and retirement preferences. J Gerontol Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2006;61(3):161-169. 10.1093/geronb/61.3.S161
  7. Szinovacz ME, DeViney S, Davey A. Influences of family obligations and relationships on retirement variations by gender, race, and marital status. J Gerontol Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2001;56(1):20-27. 10.1093/geronb/56.1.S20
  8. Hank K. Effects of early life family events on women’s late life labour market behavior: An analysis of the relationship between childbearing and retirement in Western Germany. European Sociological Review. 2004;20(3):189-198. 10.1093/esr/jch017
  9. Damman M, Henkens K, Kalmijn M. The impact of midlife educational, work, health, and family experiences on men’s early retirement. The Journals of Gerontology Series B: Psychological Sciences and Social Sciences. 2011;66(5):617-627. 10.1093/geronb/gbr092
  10. Szinovacz ME, Davey A. Retirement effects on parent–adult child contacts. The Gerontologist. 2001;41(2):191-200. 10.1093/geront/41.2.191
  11. Van den Bogaard L, Henkens K, Kalmijn M. So now what? Effects of retirement on civic engagement. Ageing & Society. 2014;34(7):1170-1192. 10.1017/S0144686X13000019
  12. Kalmijn M. Treas J. Scott J. Richards M. The Wiley-Blackwell Companion to the Sociology of Families. New York: Wiley-Blackwell; 2014.
  13. Ogg J, Renaut S. The support of parents in old age by those born during 1945–1954: a European perspective. Ageing & Society. 2006;26723-743. 10.1017/S0144686X06004922
  14. Van Gaalen RI, Dykstra PA. Solidarity and conflict between adult children and parents: A latent class analysis. Journal of Marriage and Family. 2006;68947-960. 10.1111/j.1741-3737.2006.00306.x
  15. Silverstein M, Bengtson VL, Lawton L. Intergenerational solidarity and the structure of adult child-parent relationships in American families. American Journal of Sociology. 1997;103(2):429-460. 10.1086/231213
  16. Eggebeen DJ, Davey A. Do safety nets work? The role of anticipated help in times of need. Journal of Marriage and the Family. 1998;60(4):939-950. 10.2307/353636
  17. Grundy E. Reciprocity in relationships: socio-economic and health influences on intergenerational exchanges between third age parents and their adult children in great britain. The British Journal of Sociology. 2005;56(2):233-255. 10.1111/j.1468-4446.2005.00057.x
  18. Kalmijn M, Saraceno C. A comparative perspective on intergenerational support. Responsiveness to parental needs in individualistic and familialistic countries. European Societies. 2008;10(3):479-508. 10.1080/14616690701744364
  19. Van Solinge H, Henkens K. Adjustment to and satisfaction with retirement: Two of a kind?. Psychology and Aging. 2008;23(2):422-434. 10.1037/0882-7974.23.2.422
  20. Pinquart M, Schindler I. Changes of life satisfaction in the transition to retirement: a latent-class approach. Psychology and Aging. 2007;22(3):442-455. 10.1037/0882-7974.22.3.442
  21. Silverstein M, Conroy SJ, Wang H, Giarrusso R, Bengtson VL. Reciprocity in parent-child relations over the adult life course. Journal of Gerontology: Social Sciences. 2002;57B(1):S3-S13. 10.1093/geronb/57.1.S3
  22. Ekerdt DJ, Kosloski K, DeViney S. The normative anticipation of retirement by older workers. Research on Aging. 2000;22(1):3-22. 10.1177/0164027500221001
  23. Henkens K, Van Solinge H. Spousal influences on the decision to retire. International Journal of Sociology. 2002;32(2):55-74.
  24. Damman M, Henkens K, Kalmijn M. Missing work after retirement: The role of life histories in the retirement adjustment process. The Gerontologist. 2013;-
  25. Klein IK, Van Tilburg T, Knipscheer KCPM. Perceived instrumental support exchanges in relationships between elderly parents and their adult children: Normative and structural explanations. Journal of Marriage and Family. 1999;61(4):831-844. 10.2307/354006
  26. Hank K. Proximity and contacts between older parents and their children: A European comparison. Journal of Marriage and Family. 2007;69157-173. 10.1111/j.1741-3737.2006.00351.x