Kwetsbare ouderen met polyfarmacie lopen een groter risico op vermijdbare medicatie-gerelateerde gezondheidsschade. Om medicatieveiligheid te verbeteren is door het zorgveld, in samenspraak met de IGZ, een aantal richtlijnen en veldnormen opgesteld met voorwaarden voor veilig voorschrijven. Volgens deze normen is het actief betrekken van patiënten door zorgverleners essentieel voor goede farmacotherapeutische zorgverlening. Uit twee onderzoeken onder patiënten blijkt echter dat er nog ruimte voor verbetering is. Patiënten kunnen naar eigen zeggen (nog) beter geïnformeerd worden over wijzigingen in hun medicatie. Ook kan duidelijker gecommuniceerd worden door de zorgverleners wie centraal aanspreekpunt is en wie eindverantwoordelijk is voor de medicatie. Patiënten zijn hiervan onvoldoende op de hoogte. Verder bestaat er onduidelijkheid over het hoe en waarom van medicatieboordelingen. Meer uitleg aan patiënten hierover is wenselijk. Daarnaast ervaren patiënten dat het bijhouden van het medicatieoverzicht en de medicatieoverdracht tussen zorgverleners beter kan. Tot slot zou een deel van de patiënten graag de gelegenheid krijgen mee te beslissen over wijzigingen in hun medicatie. Om veilig te kunnen voorschrijven is het cruciaal dat zorgverleners patiënten actief betrekken bij de farmacotherapeutische zorg en echt het gesprek met hen aangaan over de medicatie.

Frail elderly with polypharmacy are at greater risk of preventable medication-related health damage. To improve medication safety, the healthcare field prepared, in consultation with the Dutch Health Care Inspectorate, a number of guidelines and standards containing conditions for safe prescribing. According to these standards the active involvement of patients by health care professionals is essential for good pharmacotherapeutic care. However, two studies with patients show that there is still room for improvement. According to patients, they can be (even) better informed about changes in their medication. Also the caregivers could communicate more clearly who is the central contact point and who is ultimately responsible for the medication. Patients are not sufficiently informed on this. Furthermore, there is uncertainty about how and why medication reviews are performed. More explanation to patients about this is desirable. In addition, patients experience that keeping their medication list up to date and transferring medication data between health care providers could be improved. Finally, a group of patients welcomes the opportunity to co-decide on changes in their medication. In order to prescribe safely, it is crucial that caregivers actively involve patients in pharmacotherapeutic care and really enter into conversation with them about their medication.


205 Weergaven
1 Downloads
Lees verder

Inleiding

Het gebruik van medicijnen levert gezondheidswinst op, maar kan ook zorgen voor gezondheidsschade bijvoorbeeld door bijwerkingen of interactie tussen verschillende geneesmiddelen. Deze schade treedt vooral op bij kwetsbare ouderen, die vaak meerdere aandoeningen hebben waarvoor ze van veel verschillende artsen medicijnen krijgen voorgeschreven. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat deze zogenaamde medicatie gerelateerde schade voor een groot deel is te voorkómen [ 1 , 2 ]. Om dit te realiseren staat het thema medicatieveiligheid al jaren op de agenda van de beroepsgroepen van artsen, apothekers, thuiszorgorganisaties, patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars en overheidsinstanties.

In haar toezicht richt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zich op de grootste risico’s voor de patiëntveiligheid. Kwetsbare ouderen die veel geneesmiddelen gebruiken (polyfarmacie), vormen bijvoorbeeld een belangrijke risicogroep. Om medicatieveiligheid verder te verbeteren is door het zorgveld, in samenspraak met de IGZ, een aantal richtlijnen en veldnormen opgesteld met voorwaarden voor veilig voorschrijven. Deze zijn gericht op medicatiebewaking met behulp van elektronische voorschrijfsystemen, overdracht van medicatiegegevens, medicatiebeoordeling en verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg [ 37 ]. Volgens deze normen is het actief betrekken van patiënten door zorgverleners essentieel voor goede farmacotherapeutische zorgverlening. Patiënten kunnen namelijk een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van medicatieveiligheid, omdat zij de continue factor vormen bij behandelingen door verschillende zorgverleners en overgangen tussen de eerstelijnszorg en ziekenhuiszorg. Om die bijdrage te kunnen leveren, is het wél noodzakelijk dat de zorgverlener de patiënt tijdens een consult voorziet van de benodigde informatie en de juiste vragen stelt om na te gaan wat de patiënt wil en kan.

Om in te kunnen schatten wat patiënten willen en nodig hebben, zijn recent twee onderzoeken uitgevoerd naar de ervaringen en wensen van patiënten ten aanzien van de informatievoorziening en zorg rondom hun medicatie, de rol die zij daar zelf in kunnen vervullen en wat zij daarvoor nodig hebben [ 8 , 9 ]. Het eerste onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL in samenwerking met de IGZ en had vooral betrekking op de eerstelijnszorg. Het betrof een vragenlijst uitgezet onder leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg. Er werd daarbij ingezoomd op gebruikers van nieuwe of gewijzigde medicijnen. In totaal hebben 227 van de ondervraagde mensen nieuwe of gewijzigde medicijnen in het jaar voorafgaand aan het onderzoek gekregen. In deze groep zaten 50 mensen die opgenomen zijn geweest in een ziekenhuis en 36 mensen van 65 jaar of ouder met polyfarmacie (≥5 geneesmiddelen) [ 8 ]. Het tweede onderzoek is uitgevoerd door het RIVM in opdracht van de IGZ en had betrekking op patiënten die medicijnen kregen van zowel eerstelijns zorgverleners als medisch specialisten uit het ziekenhuis. Het betrof drie groepsinterviews met in totaal 21 ouderen (gemiddeld 69 jaar) met multimorbiditeit en polyfarmacie (≥7 geneesmiddelen) [ 9 ]. De bevindingen van beide onderzoeken vullen elkaar aan en brengen belangrijke punten naar voren voor voorschrijvers en andere zorgverleners. Deze punten worden hieronder besproken.

Informeer de patiënt over wijzigingen in de voorgeschreven medicatie

Om medicijnen op de juiste wijze in te nemen en bijwerkingen tijdig te herkennen, moet de patiënt door voorschrijvers duidelijk geïnformeerd worden over de medicatie. Bijna alle patiënten uit het NIVEL-onderzoek, inclusief ouderen met polyfarmacie, geven aan uitleg gekregen te hebben over hun nieuwe of gewijzigde medicatie. Slechts een klein deel geeft hierbij aan de ontvangen informatie niet duidelijk te vinden [ 8 ]. In het RIVM-onderzoek geven ouderen met polyfarmacie juist aan dat zij beter geïnformeerd en gehoord willen worden als het gaat om veranderingen in hun medicatie. Zij noemen ook communicatie en informatie als belangrijkste verbeterpunten in het farmaceutisch zorgproces [ 9 ]. Dit wordt bevestigd door ander recent onderzoek: oudere patiënten die 5 of meer voorgeschreven medicijnen nemen, hebben bijvoorbeeld weinig kennis over de reden van voorschrijven [ 10 ]. Zorgverleners kunnen nog meer de focus leggen op de communicatie rondom wijzigingen in de medicatie en doen er goed aan te verifiëren of de patiënt alle informatie begrepen heeft.

Laat de patiënt weten wie centraal aanspreekpunt en wie eindverantwoordelijk is

Patiënten behoren volgens de veldnormen te weten bij wie ze terecht kunnen als er vragen over of problemen met hun medicatie zijn. Uit het NIVEL-onderzoek blijkt dat vrijwel alle patiënten weten wie hun aanspreekpunt is. Als het echter gaat om de groep patiënten die in het ziekenhuis heeft gelegen blijkt dat één op de vijf gebruikers van nieuwe of gewijzigde medicatie bij ontslag uit het ziekenhuis, niet is verteld waar zij terecht konden met vragen over hun medicijnen [ 8 ]. Uit het RIVM-onderzoek komt verder naar voren dat oudere patiënten met polyfarmacie niet weten wie eindverantwoordelijk is voor al hun medicatie en bij wie zij na opname en ontslag of polikliniek bezoek aan het ziekenhuis terecht kunnen met vragen of problemen. Zelf geven zij de voorkeur aan huisarts of apotheker als aanspreekpunt [ 9 ]. Voorschrijvers, maar ook andere zorgverleners, zullen beter aan de patiënt moeten communiceren wie het eerste aanspreekpunt is en wie eindverantwoordelijk is voor het houden van overzicht over alle medicatie van een patiënt.

Doe een medicatiebeoordeling bij elke patiënt voor wie dit relevant is

Medicatiebeoordeling conform de richtlijn ‘Polyfarmacie bij ouderen’ behoort tot de standaard farmacotherapeutische zorg. Zorgverlener en patiënt nemen tijdens een medicatiebeoordeling de gebruikte medicatie gezamenlijk door en passen deze eventueel aan als bijvoorbeeld blijkt dat een alternatief middel met minder bijwerkingen beschikbaar is of dat het geneesmiddel niet meer nodig is [ 7 ]. De ervaringen, verwachtingen en mogelijkheden van de patiënt zijn daarbij belangrijk in het kader van therapietrouw. Uit het NIVEL-onderzoek blijkt dat de meerderheid van de mensen van 65 jaar of ouder met polyfarmacie stelt dat zij met hun zorgverlener hebben besproken of hun medicijnen nog nodig zijn en of ze goed werken [ 8 ]. Het is echter niet duidelijk of dit een volledige medicatiebeoordeling volgens de richtlijn betreft of een andersoortig gesprek over de gebruikte medicijnen. De groepsinterviews van het RIVM wijzen in de richting van dat laatste. Bovendien blijken veel patiënten niet op de hoogte te zijn van wat een medicatiebeoordeling precies inhoudt en wat het belang daarvan is in het kader van medicatieveiligheid. Dit terwijl een medicatiebeoordeling hen bij uitstek de gelegenheid biedt om, zoals naar eigen zeggen gewenst, over hun medicatie mee te beslissen [ 9 ]. Zorgverleners behoren, in lijn met de veldnorm, patiënten met polyfarmacie een medicatiebeoordeling aan te bieden [ 7 ].

Zorg dat het medicatieoverzicht altijd actueel is en tijdig wordt overgedragen

Voor veilig voorschrijven is medicatieoverdracht naar andere zorgverleners van essentieel belang. Medicatieveiligheid komt in het gedrang als de overdrachtsmomenten niet goed tussen zorgverleners zijn geregeld. In de ogen van patiënten is de medicatieoverdracht echter nog niet optimaal. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat zij de ervaring hebben dat informatie over gewijzigde geneesmiddelen (te) laat of helemaal niet tussen zorgverleners wordt uitgewisseld. Verder vinden patiënten het niet prettig als zij zelf het medicatieoverzicht moeten meenemen als zij een zorgverlener bezoeken. Bovendien wordt dit overzicht vervolgens lang niet altijd met hen doorgesproken om te verifiëren of het nog actueel is en of alle zelfzorgmedicatie ook vermeld is [ 9 ]. Zorgverleners zouden conform de richtlijn tijdig een geactualiseerd medicatieverzicht moeten overdragen naar andere zorgverleners die bij de patiënt betrokken zijn [ 3 ]. Het belang hiervan wordt bevestigd in andere recent onderzoek: door gebrekkige overdracht van medicatiegegevens tussen de eerste en tweedelijnszorg ontstaan discrepanties in het (actuele) medicatieoverzicht [ 11 ].

Faciliteer gedeelde besluitvorming

Door de patiënt te laten kiezen tussen bijvoorbeeld medicijnen met verschillende doseerschema’s of bijwerkingsprofielen kan veilig gebruik van de medicatie bevorderd worden. Uit het NIVEL-onderzoek komt naar voren dat mondige patiënten vaker dan minder mondige patiënten vinden, dat zij voldoende betrokken zijn bij het besluitvormingsproces over medicijnen en dat zij samen met hun arts beslissen over hun medicijngebruik [ 8 ]. Het RIVM-onderzoek laat zien dat een deel van de patiënten wil meebeslissen, maar een ander deel juist niet. Verder wil een deel als ervaringsdeskundige zelf aanpassingen kunnen doorvoeren. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen met diabetes [ 9 ]. Om iedereen die dat wil ook in staat te stellen om mee te beslissen over de medicatie moeten zorgverleners het gesprek met patiënten aangaan om te peilen of deze behoefte er is en welke informatie zij daarvoor nodig hebben.

Rust patiënten beter toe voor hun rol in het farmaceutisch zorgproces

Hoewel het van patiënt tot patiënt verschilt welke rol deze kan en wil vervullen binnen het verbeteren van medicatieveiligheid, is het duidelijk dat een aantal verbeteringen van belang is. Zo is er meer aandacht van zorgverleners nodig voor duidelijke communicatie over (gewijzigde) medicatie richting de patiënt, maar ook richting de andere zorgverleners die bij die patiënt betrokken zijn. Verder zou richting patiënten beter gecommuniceerd moeten worden wie centraal aanspreekpunt is voor de patiënt en wie eindverantwoordelijk voor de medicatie. Tot slot is het van belang om patiënten die dat inderdaad willen, in de gelegenheid te stellen om mee te beslissen over de medicatie. Kortom, het actief betrekken van de patiënt door zorgverleners is essentieel voor goede farmacotherapeutische zorgverlening en om veilig medicatie te kunnen voorschrijven.

Kernboodschap

Kwetsbare ouderen met polyfarmacie lopen een groter risico op vermijdbare medicatie-gerelateerde gezondheidsschade. Om veilig te kunnen voorschrijven is het cruciaal dat zorgverleners het gesprek aangaan met de patiënt om na te gaan wat deze daadwerkelijk gebruikt, welke bijwerkingen worden ervaren en welk behoeften de patiënt heeft. Uit onderzoek blijkt dat patiënten vinden dat zij niet altijd voldoende betrokken worden bij het farmaceutisch zorgproces. Volgens patiënten zijn verbeteringen nodig wat betreft de informatie, communicatie en besluitvorming rondom hun medicatie.

Literatuurlijst

  1. van den Bemt P, Egberts A, Leendertse A. In: Hospital Admissions Related to Medication (HARM). Een prospectief, multicenter onderzoek naar geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnames. Eindrapport. Utrecht: Division of Pharmacoepidemiology & Pharmacotherapy, Utrecht Institute for Pharmaceutical Sciences; 2006.
  2. Leendertse AJ, Egberts AC, Stoker LJ, van den Bemt PM. Frequency of and risk factors for preventable medication-related hospital admissions in the Netherlands. Arch Intern Med. 2008;1681890-1896.
  3. Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten. 2008.
  4. Nadere toelichting Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten. 2015.
  5. KNMG; 2010.
  6. KNMG; 2013.
  7. NHG; 2012.
  8. Hoefman RJ, Verleun A, Brabers AEM, de Jong JD. In: Veel patiënten ontvangen informatie over medicijnen van hun zorgverlener, maar niet iedereen gebruikt deze informatie. Utrecht: NIVEL; 2016.
  9. Lemmens LC, Weda M. In: Patiëntenperspectief op veilige zorg rondom medicijnen. Bilthoven: RIVM; 2016.
  10. Bosch-Lenders D, Maessen DWHA, Stoffers HEJH, Knottnerus JA, Winkens B, van den Akker M. Wat weten ouderen met polyfarmacie van hun pillen?. Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160D736-
  11. Lemmens LC, Weda M. In: Polyfarmacie bij kwetsbare ouderen : Risico’s rondom overgangen tussen eerste en tweedelijnszorg. Bilthoven: RIVM; 2015.