Vrijwel zeker heeft de AOW-leeftijd van 65 jaar in Nederland zijn langste tijd gehad. Belangrijk argument in de discussie is dat de pensioenleeftijd meer in pas moet gaan lopen met de gestegen levensverwachting. In dit onderzoek is nagegaan of de werknemers zelf zich in het besluitvormingsproces rondom stoppen met werken laten leiden door ideeën over hun levensverwachting. De onderzoeksvraag is tweeledig: 1) Welke ideeën hebben oudere werknemers over de hoeveelheid levenstijd die hen nog rest, en waar hangen die ideeën mee samen? 2) Zijn oudere werknemers naarmate zij verwachten langer te leven meer geneigd het stoppen met werken uit te stellen? De gegevens zijn ontleend aan een longitudinaal onderzoek onder 1.621 oudere werknemers werkzaam bij vier grote ondernemingen en bij de Rijksoverheid. De werknemers namen zowel in 2001 als in 2007 deel aan een onderzoek over werken en uittreden. De resultaten duiden erop dat de gepercipieerde levensverwachting een rol speelt bij de uittredebeslissing. Werknemers die verwachten langer te leven hebben meer belangstelling voor langer doorwerken. Bij de uiteindelijke pensionering speelt de subjectieve levensverwachting echter geen rol: werknemers die verwachten langer te leven stoppen niet later. Dit suggereert dat vooral de werknemers met een voorkeur voor langer doorwerken gehinderd worden in de realisatie daarvan.

 

Virtually all Western countries are seeking to bring retirement ages more in line with increases in longevity. The central question in this paper is whether individuals choose a retirement age that fits their life expectancy. This would be ideal from a public policy perspective. The present study aims to test empirically whether retirement planning varies with expectations of survival among a sample of older employees in the Netherlands. Two questions are addressed: 1) What are older employees’ expectations of their remaining lifetime, and what factors influence this subjective life expectancy? 2) Are individuals who perceive longer life horizons (high subjective life expectancy) more inclined to retire later than people who  expect to live shorter? Using data from a panel study on retirement behaviour in the Netherlands (N=1,621 older employees aged 50-60), regression and survival models are estimated to examine the effect of subjective life expectancy on retirement planning and behaviour. The results indicate that subjective life expectancy is a factor that is taken into account in retirement decision making, at least as far as retirement intentions are concerned. Older employees with longer time horizons have a preference for later retirement. When it comes to actual behaviour, however, time horizon does not appear to play a role. The results suggest that particularly employees with a high perceived life expectancy and an intention to work longer do not succeed in carrying their intentions into effect.


126 Weergaven
12 Downloads
Lees verder

Inleiding

Vrijwel zeker heeft de AOW-leeftijd van 65 jaar in Nederland zijn langste tijd gehad. Ook in de rest van Europa wordt volop gediscussieerd over de pensioengrens. Sommige landen, zoals Duitsland en Groot-Brittannië, gingen al eerder tot een verhoging van de pensioenleeftijd over. Het argument dat men voor verhoging van de pensioenleeftijd vaak aandraagt, is dat de gemiddelde leeftijd steeds hoger wordt, wat een latere pensioenleeftijd zou rechtvaardigen. Met andere woorden het wordt hoog tijd dat de pensioenleeftijd meer in pas gaat lopen met de gestegen levensverwachting. In het onderzoek waarover hier wordt gerapporteerd is nagegaan of de werknemers zelf zich in het besluitvormingsproces rondom stoppen met werken laten leiden door ideeën over hun levensverwachting. Als dat het geval is zou dat goed nieuws zijn voor politici en beleidsmakers.

In de wetenschappelijke literatuur bestaat een groeiende belangstelling voor zogenaamde subjectieve gezondheidsmaten, zoals de ervaren gezondheid of gezondheidsbeleving. Ervaren gezondheid blijkt in de praktijk een goede voorspeller van sterfte. 1 , 2 , 3 Ook blijken mensen ideeën te hebben over de resterende levensduur, de zogenaamde subjectieve levensverwachting. Deze ideeën zijn niet zomaar een slag in de lucht. Er zijn aanwijzingen dat mensen zich bij de inschatting van de resterende levensverwachting baseren op hoe oud de ouders (en vooral die van het gelijke geslacht) zijn, of zijn geworden. 4 Subjectieve levensverwachting blijkt ook voorspellende te waarde te hebben in relatie tot sterfte. 4 Deze relatie tussen subjectieve levensverwachting en sterfte blijft bestaan nadat rekening is gehouden is met andere factoren waarvan bekend is dat deze sterfte voorspellen, zoals gezondheid, gediagnosticeerde ziekten en sociaaleconomische status. 6

De notie dat mensen een idee hebben over de resterende levensduur en dat deze mogelijk van invloed is op hun gedrag is niet nieuw. De econoom Hamermesh was in de jaren tachtig van de vorige eeuw een van de eersten die suggereerden dat de levenshorizon van invloed is op het economisch gedrag van individuen. 8 Dit idee is verder uitgewerkt in relatie tot diverse levensterreinen, zoals investeringen in human capital, 9 sparen en consumeren, 10 en gezondheidsgedrag. 11 Het aantal studies dat de relatie onderzoekt tussen subjectieve levensverwachting en pensionering is beperkt. De achterliggende veronderstelling in deze studies is dat mensen die langer denken te leven, later met pensioen gaan. Zij doen dit vooral uit economische motieven: er moet langer gespaard worden om een langer leven te bekostigen. De resultaten van de verschillende studies zijn overigens niet eenduidig. Zo vonden Hurd, Smith en Zissimopoulos en Romeu Gordo een negatief verband tussen subjectieve levensverwachting en de timing van pensionering, dat wil zeggen: hoe hoger de subjectieve levensverwachting, hoe kleiner de kans op pensionering. 12 O’Donnell, Teppa en Van Doorslaer daarentegen vonden een curvilineaire samenhang. 14 In een studie van Bloom, Canning, Moore en Song werd geen verband aangetroffen. 15 Deze diversiteit in uitkomsten hangt mogelijk samen met het feit dat veel oudere werknemers maar beperkte controle hebben over de timing van hun uittreden en dat stoppen met werken in veel gevallen geen geheel vrijwillige keuze is. 16 Tussen pensioenintenties en feitelijke pensionering kan een aanzienlijke discrepantie bestaan. 18 Veel oudere werknemers stoppen eerder met werken dan aanvankelijk voorzien. Externe mogelijkheden (o.a. verruiming van de uittredingsregelingen) en beperkingen (o.a. reorganisaties) spelen daarbij waarschijnlijk een veel grotere rol dan preferenties.

In de hier gerapporteerde studie gingen we na of werknemers aan het einde van hun carrière verwachtingen hebben over hoeveel levenstijd hen nog rest (de zgn. subjectieve levensverwachting) en of deze verwachting van invloed is op de besluitvorming rond pensionering. In tegenstelling tot de hierboven genoemde studies hebben wij niet alleen gekeken naar de feitelijke timing van pensionering, maar ook naar de pensioenplannen van de oudere werknemers. De onderzoeksvraag was tweeledig. In de eerst plaats: Welke ideeën hebben oudere werknemers over de hoeveelheid levenstijd die hen nog rest, en waar hangen die ideeën mee samen? In de tweede plaats: Zijn oudere werknemers naarmate zij verwachten langer te leven meer geneigd het stoppen met werken uit te stellen (uittredingsintentie), en stoppen zij ook later (feitelijk uittredingsgedrag)?

Methode

Data en onderzoeksgroep

De gegevens zijn afkomstig uit een longitudinaal onderzoek naar uittredegedrag van werknemers van 50 jaar en ouder werkzaam bij diverse werkmaatschappijen en bedrijfsonderdelen van Unilever Nederland BV, VendexKBB (thans Maxeda) en IBM, alsmede personen werkzaam bij de Rijksoverheid. Het onderzoek kent twee meetmomenten. In 2001 werden alle werknemers van 50 jaar en ouder benaderd (N=3.900). Bij de Rijksoverheid werd een random sample getrokken uit de populatie werknemers van 50 jaar en ouder. Het aantal personen dat de vragenlijst retour zond bedroeg 2.406. De deelnemers aan dit onderzoek werd gevraagd naar plannen met betrekking tot het tijdstip en de gewenste vorm van uittreden. Naast demografische achtergrondinformatie van de werknemer, is informatie verzameld over de werksituatie en de werkbeleving, de gezondheid, de financiële situatie. 21 In 2007 werd een vervolgstudie uitgevoerd onder de deelnemers van het onderzoek in 2001. Het panelkarakter van de gegevens maakt het mogelijk om de werknemers te volgen in het proces van uittreding uit arbeid. 22 De hier gepresenteerde analyses hebben betrekking op de 1.621 respondenten die ten tijde van de het eerste onderzoek 50 tot 60 jaar waren.

Voor alle deelnemers aan het onderzoek in 2001 zijn sterftegegevens beschikbaar. De resultaten van gevoeligheidsanalyses ondersteunen de assumptie van Van Doorn en Kasl, 4 en Siegel et al. 5 met betrekking tot de voorspellende waarde van subjectieve levensverwachting. Ook in onze studie bleek de in 2001 gemeten subjectieve levensverwachting een goede voorspeller van sterfte tussen 2001 en 2007, zelfs als werd gecontroleerd voor subjectieve gezondheid gemeten tijdens het eerste meetmoment. De gevoeligheidsanalyses duiden voorts op een lichte mate van selectiviteit in de non-response: ‘jongere oudere werknemers’ en de laagopgeleide personen waren minder geneigd tot deelname aan het onderzoek in 2007. Geen verschillen in deelname werden gevonden voor voor het onderzoek relevante kenmerken, zoals geslacht, gezondheid en subjectieve levensverwachting.

Meetinstrumenten

Pensioenplannen en gedrag– In het onderzoek in 2001 is aan de oudere werknemers, die op dat moment 50 jaar of ouder waren, gevraagd naar hun pensioenplannen. Zij kregen drie vragen voorgelegd: (i) Bent u van plan om te stoppen met werken voor uw 65ste jaar? (ii) Wilt u na uw 61ste nog blijven werken?, (iii) Op welke leeftijd wilt u stoppen met werken? Op basis van deze drie vragen is een maat ontwikkeld (de uittredingsintentie) die een indicatie geeft van de mate waarin oudere werknemers geneigd zijn langer door te werken. De schaal loopt van 0 tot 10, waarbij hogere waarden duiden op een grotere geneigdheid tot langer doorwerken (Cronbachs alpha = 0,82; M=3,0; SD=1,8). In het onderzoek van 2007 is aan de deelnemers gevraagd of zij in de periode tussen de twee onderzoeken gebruik hebben gemaakt van een regeling voor (vervroegde) pensionering, en zo ja in welk jaar en welke maand. Op basis van deze informatie kon de uittredingsleeftijd worden vastgesteld.

Subjectieve levensverwachting – Om subjectieve levensverwachting of tijdshorizon van de oudere werknemers in kaart te brengen is gebruik gemaakt van twee vragen die in het onderzoek van 2001 zijn gesteld. Aan de werknemers werd eerst gevraagd om op een 5-puntsschaal aan te geven hoe groot men de kans achtte om ouder dan 75 jaar te worden. Later in de vragenlijst werd hen gevraagd te reageren op de stelling “Ik acht de kans groot dat ik de leeftijd van 90 zal bereiken”. Op basis van deze twee vragen is een maat voor subjectieve levensverwachting ontwikkeld. De schaal loopt van 1 tot 5, waarbij hogere waarden duiden op een langere tijdshorizon (Cronbachs alpha = 0,71; M=3,1; SD=0,8).

Overige determinanten – In deze studie staat de relatie tussen subjectieve levensverwachting en pensioenintenties en –gedrag centraal. Echter, sommige van de factoren die een rol spelen bij de besluitvorming rondom pensionering zijn ook van invloed op de subjectieve levensverwachting. Om deze reden is in deze studie gecontroleerd voor factoren die mogelijk samenhangen met besluitvorming rondom pensionering én subjectieve levensverwachting, namelijk: leeftijd, geslacht, levensduur van de ouders, sociaaleconomische status (vermogen & opleiding), gezondheid, partnerstatus en kenmerken van het werk (zie Bijlage voor meer informatie over de gebruikte meetinstrumenten).

Analyses

Om de mogelijke effecten van subjectieve levensverwachting op pensioenintenties en –pensioengedrag na te gaan zijn verschillende multivariate analyses uitgevoerd. De invloed van subjectieve levensverwachting op pensioenintenties is nagegaan met behulp van regressie analyse. Er werden twee modellen geschat. Allereerst een model met alleen subjectieve levensverwachting. Vervolgens een model waarin naast levensverwachting ook de overige determinanten zijn opgenomen. Op deze manier kon worden nagegaan of een eventuele samenhang tussen subjectieve levensverwachting en pensioenintenties is toe te schrijven aan gezamenlijke achterliggende factoren. Met andere woorden is er sprake van een schijnverband? Aanvullend is op basis van Cox hazard analyse nagegaan of de kans om vervroegd uit te treden samenhangt met de subjectieve levensverwachting en/of de overige determinanten.

Resultaten

Een beschrijving van de samenstelling van de onderzoeksgroep is te vinden in Tabel 1. Bijna driekwart van de respondenten was van het mannelijk geslacht, 87 procent had een partner. Bij aanvang van het onderzoek in 2001 waren de deelnemers 50 tot 60 jaar oud, de gemiddelde leeftijd bedroeg 54,2 jaar. Zes procent van de deelnemers had een lage subjectieve levensverwachting (korte tijdshorizon); acht procent een hoge (lange tijdshorizon). Zes op de tien oudere werknemers ging met (vervroegd) pensioen tussen 2001 en 2007.

Tabel 1 Kenmerken van de onderzoeksgroep

Tabel 1

Tabel 2 toont de pensioenintenties van oudere werknemers met een lage, een gemiddelde en een hoge subjectieve levensverwachting. Ruim tachtig procent van alle oudere werknemers was in 2001 van plan om te stoppen voor de officiële pensioenleeftijd van 65 jaar; 21 procent wilde (waarschijnlijk of zeker) doorwerken na de gangbare prepensioenleeftijd van 61 jaar. Uit de tabel komt duidelijk naar voren dat oudere werknemers meer geneigd zijn om langer door te werken naarmate de door hen gepercipieerde tijdshorizon langer is. Van de werknemers met een hoge subjectieve levensverwachting wil bijna een derde (19 + 14 procent) doorwerken na de prepensioenleeftijd en 14 procent tot 65 jaar. Tegen respectievelijk negen en twee procent van de werknemers met een lage subjectieve levensverwachting.

Tabel 2 Subjectieve levensverwachting en pensioenintenties (%), 2001

Tabel 2

* de gangbare prepensioenleeftijd ten tijde van de tweede onderzoeksronde

De resultaten van de multivariate analyses zijn te vinden in tabel 3 en tabel 4. Om na te gaan of er een verband bestaat tussen subjectieve levensverwachting en uittrede-intentie is gebruik gemaakt van OLS-regressie modellen. In tabel 3 worden drie modellen gepresenteerd. In Model A (eerste kolom) wordt eerst nagegaan welke factoren van invloed zijn op subjectieve levensverwachting. Uit de resultaten komt naar voren dat subjectieve levensverwachting samenhangt met leeftijd en geslacht, hetgeen consistent is met actuariële gegevens. De veronderstelde samenhang tussen gezondheid en subjectieve levensverwachting komt ook uit de resultaten naar voren. Personen in goede gezondheid zijn veel optimistischer over hun levensverwachting dan degenen met een slechte gezondheid. Verder duiden de resultaten erop dat individuen zich bij het bepalen van de subjectieve levensverwachting baseren op de levensduur van de ouders, in het bijzonder die van de ouder van hetzelfde geslacht. Hoe hoger de bereikte leeftijd van de ouder met hetzelfde geslacht, des te hoger de gepercipieerde levensverwachting. Daarnaast blijkt de gepercipieerde levensverwachting hoger wanneer ouders nog in leven zijn. We vonden geen samenhang tussen subjectieve levensverwachting en sociaal-economische status (vermogen en opleiding) en partnerstatus (wel of geen partner). Er is wel een relatie met werkdruk: hoe hoger de werkdruk, hoe lager de gepercipieerde levensverwachting. De tweede en derde kolom laat de resultaten zien van het verklaringsmodel voor pensioenintenties. De resultaten van het basismodel B1 vormen een bevestiging van de beschrijvende resultaten uit tabel 2. Er is een positieve samenhang tussen subjectieve levensverwachting en pensioenintentie. Dat wil zeggen: naarmate personen hun levensverwachting positiever inschatten zijn zij meer geneigd om langer door te werken. In model B2 wordt nagegaan of dit verband overeind blijft als ook factoren worden opgenomen waarvan bekend is dat die van invloed zijn op de pensioenintentie, maar die mogelijk ook samenhangen met subjectieve levensverwachting. De resultaten voor Model B2 komen overeen met bevindingen van eerder onderzoek op dit terrein en duiden op het belang van sociale (de partner) en economische hulpbronnen (opleiding en vermogen), gezondheid en werkdruk bij de pensioenplanning. Het effect van subjectieve levensverwachting op pensioenintentie blijft echter overeind na controle voor deze factoren. Dit duidt erop dat de in Model B1 gevonden samenhang niet berust op een schijnverband.

Tabel 3 Verklaring van de uittrede-intentie bij werknemers van 50 jaar en ouder, 2001 (OLS regressie, N=1.621)

Tabel 3

a Subjectieve Levensverwachting (1-5) – Hogere scores duiden op een langere levenshorizon b Uittrede-intentie (1-10) – Hogere scores duiden erop dat de werknemer meer geneigd is om stoppen met werken uit te stellen* p < 0.05; ** p<0.01; ***p<0.001

De resultaten in Tabel 4 hebben betrekking op het feitelijke pensioneringsgedrag. Wanneer we dit vergelijken met de resultaten die betrekking hebben op de uittredingsintentie dan komen direct een aantal overeenkomsten naar voren, maar ook opmerkelijke verschillen. Naarmate de gezondheid beter is, is de kans op uittreden kleiner tussen 2001 en 2007. Datzelfde geldt voor opleiding; hoe hoger het opleidingsniveau, des te kleiner de kans op uittreding. Voor vermogen geldt het omgekeerde; mensen met veel vermogen treden eerder uit. Dit duidt erop dat vermogen deels wordt ingezet om eerder stoppen mogelijk te maken. Ten slotte vergroot een hoge werkdruk de kans op uittreding. De subjectieve levensverwachting, die nog wel een rol speelde bij de uittrede-intentie, hangt echter niet samen met pensioengedrag. Werknemers die verwachten langer te leven zijn wel meer geneigd om langer door te werken, maar doen dat uiteindelijk niet. Aanvullende analyses (niet in tabel) maken duidelijk dat er een aanzienlijke discrepantie kan liggen tussen pensioenplannen en gedrag. De resultaten suggereren dat het merendeel van de werknemers eerder stopt dan gepland. Gemiddeld is sprake van een vervroeging in de orde van 1,6 jaar.

Tabel 4 Verklaring van de kans om te stoppen met werken tussen 2001 en 2007 (Cox’ Proportional hazardanalyse, N=1.621)

Tabel 4

Baseline leeftijd in 2001 is 50 jaar of oudera Duur tussen leeftijd 50 en het moment van (vervroegde) uittreding (in jaren). Personen die tussen het eerste (in 2001) en het tweede meetmoment (in 2007) nog niet (vervroegd) zijn uitgetreden worden behandeld als rechts gecensoreerd. * p < 0.05; ** p<0.01; ***p<0.001

Discussie

In de politieke discussie in Nederland rondom stoppen met werken wordt bij herhaling verwezen naar de sterke stijging die de levensverwachting heeft doorgemaakt sinds de invoering van het staatspensioen (de AOW) in 1957. Er bestaat een duidelijke roep om de pensioenleeftijd meer in lijn te brengen met de gestegen levensverwachting. De resultaten van dit onderzoek maken duidelijk dat bij werknemers zelf levensverwachting ook een rol speelt bij de uittredebeslissing. Er is meer belangstelling voor langer doorwerken naarmate men verwacht ouder te worden. Of andersom gesteld, het idee dat er mogelijk weinig jaren resteren als gepensioneerde vergroot de populariteit van een vervroegd vertrek van de arbeidsmarkt. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de subjectieve levensverwachting een rol speelt bij de uiteindelijke pensionering. Dat wil zeggen: werknemers die verwachten langer te leven stoppen niet later. Dit duidt erop dat vooral de werknemers met een voorkeur voor langer doorwerken gehinderd worden in de realisatie daarvan. Het kan natuurlijk zo zijn dat oudere werknemers uit eigen beweging hun plannen bijstellen in de richting van eerder stoppen met werken, daartoe gestimuleerd door aantrekkelijke uittredingsregelingen. Onderzoek naar de mate van vrijwilligheid van de pensionering maakt echter duidelijk dat er op de werkvloer vaak druk op werknemers wordt uitgeoefend om te vertrekken. 16 Ook speelt mogelijk een rol dat in Nederland tot zeer recent sprake was van een ‘vervroegd uittredecultuur’. Zelfs als niet expliciet sprake is van druk om vervroegd uit te treden, zijn de vrijheidsgraden van oudere werknemers veelal beperkt. Binnen organisaties is vaak weinig draagvlak om ouderen te behouden voor de arbeidsmarkt. 22 Regelingen voor vervroegde uittreding waren tot voor kort zo vormgegeven dat deze voor werknemers vaak het karakter hadden van een ‘offer you can’t refuse’.

De belangrijkste bijdrage van deze studie aan de literatuur is gelegen in het feit dat zowel de pensioenplannen als het uiteindelijk pensioengedrag van de oudere werknemers in kaart zijn gebracht en in relatie tot elkaar konden worden bestudeerd. Dit in tegenstelling tot eerdere studies op dit terrein, die zich hoofdzakelijk richtten op het feitelijke tijdstip van uittreden (de pensioenleeftijd). Onze bevindingen doen vermoeden dat de deels tegenstrijdige resultaten van eerdere studies naar de rol van subjectieve levensverwachting bij besluitvorming over pensionering te maken kan hebben met het feit dat werknemers veel minder invloed hebben op de timing van de pensionering dan wel eens wordt aangenomen en dat ook de eigen keuzeruimte met betrekking tot langer doorwerken sterk wordt overschat. Ook anderszins draagt deze studie bij aan de onderzoeksliteratuur over pensionering en levensverwachting. Door de longitudinale design én het feit dat voor alle deelnemers aan de eerste ronde van het onderzoek sterfte-informatie aanwezig was, was het mogelijk om het centrale concept in deze studie, subjectieve levensverwachting, te valideren. Onze resultaten ondersteunen de bevindingen van eerdere studies waarin de subjectieve levensverwachting van individuen een goede voorspeller bleek voor de kans om te overlijden. 4

Verder zijn enkele kanttekeningen op zijn plaats. Een eerste punt betreft de generaliseerbaarheid. Door de wijze van dataverzameling bij een beperkt aantal organisaties is de steekproef is niet zonder meer representatief te beschouwen voor de totale populatie oudere werknemers in Nederland. De steekproef lijkt echter voldoende variatie te bezitten op belangrijke variabelen, zoals geslacht, beroepsklasse en gezondheid, waardoor de in dit artikel besproken mechanismen – d.w.z. de relatie tussen subjectieve levensverwachting en pensioenplanning – wordt geacht representatief te zijn voor oudere werknemers werkzaam bij de Rijksoverheid en grotere ondernemingen in Nederland. In hoeverre de resultaten ook van toepassing zijn op personen werkzaam in andere arbeidsmarktsectoren (zoals zorg en onderwijs) en zelfstandigen is een punt van nader onderzoek. Een tweede kanttekening heeft te maken met het feit dat in deze studie niet kon worden onderzocht in hoeverre verschillen in pensioenregelingen (Defined Benefit versus Defined Contribution) een rol spelen. Onderzoek van O’Donnell et al.in Engeland suggereert dat dat het geval is. 14

De resultaten van deze studie suggereren dat wanneer de levensverwachting verder stijgt, naar verwachting ook de bereidheid om langer door te werken zal toe nemen. Voorwaarde hiervoor is wel dat een stijgende levensverwachting ook door mensen zelf wordt gepercipieerd voor hun eigen leven. Prognoses wijzen in de richting van een stijging van de levensverwachting op 65-jarige leeftijd in de orde van een maand per kalenderjaar. De vraag is natuurlijk of het grote publiek hierover goed geïnformeerd is en dit ook op het eigen leven betrekt. Kennis van het feit dat individuen op 65-jarige leeftijd gemiddeld nog 20 jaar voor de boeg hebben kan een stimulans vormen om tot op hogere leeftijd op de arbeidsmarkt actief te zijn.

 

Dit artikel is een bewerking van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in de European Journal of Public Health Vol. 20, No. 1, 47-51

Literatuurlijst

  1. Idler EL, Hudson SV, Leventhal H. The meanings of self-ratings of health. Res Aging. 1999;21(3):458-76.
  2. Idler EL, Kasl S. Health perceptions and survival: do global evaluations of health status really predict mortality?. Journal of Gerontology. 1991;46S55-65.
  3. Idler EL, Kasl S. Self-ratings of health: do they also predict changes in functional ability?. Journal of Gerontology: Social Sciences. 1995;50S344-53.
  4. Van Doorn C, Kasl SV. Can parental longevity and self-rated life expectancy predict mortality among older persons? Results from an Australian cohort. Journal of Gerontology: Social Science. 1998 January 1, 1998;53B(1):S28-34.
  5. Siegel M, Bradley EH, Kasl SV. Self-Rated Life Expectancy as a Predictor of Mortality: Evidence from the HRS and AHEAD Surveys. Gerontology. 2003;49(4):265-71.
  6. Mirowsky J. Subjective life expectancy in the US: correspondence to actuarial estimates by age, sex and race. Soc Sci Med. 1999;49(7):967-79.
  7. Mirowsky J, Ross CE. Socioeconomic status and subjective life expectancy. Social Psychology Quarterly. 2000;63(2):133-51.
  8. Hamermesh DS. Expectations, life expectancy and economic behavior. Quarterly Journal of Economics. 1985;100389-408.
  9. De Lannoy A. Testing the impact of health, subjective life expectancy and interaction with peers and parents on educational expectations. Cape Town: CSSR; 2008. Report No.: CSSR Working Paper 234.
  10. Salm M. Can Subjective Mortality Expectations and Stated Preferences Explain Varying Consumption and Saving Behaviors among the Elderly? Mannheim: IZA; 2006. Report No.: Report No. 2467.
  11. Ziegelmann JP, Lippke S, Schwarzer R. Subjective residual life expectancy in health self-regulation. Journals of Gerontology: Psychological Sciences. 2006;61B(4):195-201.
  12. Hurd MD, Smith JP, Zissimopoulos JM. The effects of subjective survival on retirement and Social Security claiming. Journal of Applied Econometrics. 2004;19(6):761-75.
  13. Romeu Gordo L. Living longer, working longer: the effect of self-reported life expectancy on retirement decisions. In: Schwarze J, Räbiger J, Thiede R, editors. Arbeitsmarkt – und Sozialpolitikforschung im Wandel Festschrift für Christof Helberger zum 65 Geburtstag: J. Kovak; 2007. p. 277-93.
  14. O’Donnell O, Teppa F, Van Doorslaer E. Can subjective survival expectations explain retirement behavior? Amsterdam: DNB; 2008. Report No.: 188.
  15. Bloom DE, Canning D, Moore M, Song Y. The effect of subjective survival probabilities on retirement and wealth in the United States. Cambridge: NBER; 2006. Report No.: 12688.
  16. Van Solinge H, Henkens K. Involuntary retirement. The role of restrictive circumstances, timing and social embeddedness. Journal of Gerontology: Social Science. 2007;62B(5):295-303.
  17. Shultz KS, Morton KR, Weckerle JR. The influence of push and pull factors on voluntary and involuntary early retirees’ retirement decision and adjustment. J Vocat Behav. 1998;5345-57.
  18. Anderson KH, Burkhauser RV, Quinn JF. Do retirement dreams come true? The effect of unanticipated events on retirement plans. Industrial and Labour Relations Review. 1986;39(4):518-26.
  19. Henkens K, Tazelaar F. Explaining retirement decisions of civil servants in the Netherlands. Res Aging. 1997;19139-73.
  20. Prothero J, Beach LR. Retirement decisions: Expectations, intention and action. Journal of Applied Social Psychology. 1984;14(2):162-74.
  21. Henkens K, Van Solinge H. Het eindspel: werknemers, hun partners en leidinggevenden over uittreding uit het arbeidsproces. Assen: Van Gorcum/Stichting Management Studies; 2003.
  22. Henkens K, Van Dalen H, Van Solinge H. De vervagende grenzen tussen werk en pensioen. Over doorwerkers, doorstarters en herintreders. Amsterdam: KNAW Press; 2009.
  23. Szinovacz ME, Davey A. Predictors of perceptions of involuntary retirement. The Gerontologist. 2005;45(1):26-35.