137 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Academisch proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen. Faculteit der Sociale Wetenschappen, 2009, 183p. Promotor: Prof. dr. J. W. J. Beentjes. Copromotor: Dr. M. van Selm

Oudere mensen kijken veel televisie. Meer dan jongere mensen. Ze hebben wellicht meer tijd, ook al hebben ze het naar eigen zeggen vaak heel druk. Als hun televisietoestel het laat afweten is paniek vaak niet ver af. Wat hebben oudere mensen met de televisie? Welke rol speelt televisie in hun leven? Geen betere manier om dat te weten te komen dan het hen rechtstreeks te vragen. Dat is het wat Margot Jannet van der Goot gedaan heeft in haar proefschrift. Ze zocht naar het verband tussen ouder worden en televisiekijken, en naar hoe deze beide fenomenen in een conceptueel kader gevat konden worden. Het primaire perspectief van dit onderzoek is communicatiewetenschappelijk, maar de onderzoekster heeft zich bij haar zoektocht terecht laten inspireren door belangrijke inzichten uit de psychogerontologie in levensloopperspectief. Geïnspireerd door inzichten die Baltes en Baltes rond 1990 introduceerden, gaat ze er van uit dat winst en verlies met betrekking tot het adaptatievermogen in alle levensfasen altijd samengaan, en dat ouderen dus niet uitsluitend televisie kijken omdat ze andere activiteiten niet meer aankunnen, maar ook omdat ze er zin in hebben. Door afstand te nemen van het nog veel voorkomend negatief stereotiep beeld van de oudere mens als permanente verliezer die in menig opzicht geen keuze zou hebben inzake zijn (vrije)tijdsbesteding streefde de onderzoekster ernaar een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de betekenissen van televisiekijken in het leven van ouderen en van de eventuele veranderingen daarvan in de voorbije jaren. De Selectie-Optimalisatie-Compensatie theorie van Baltes en Baltes leverde de oriënterende concepten van selectie en compensatie waarmee de auteur de onderzoeksliteratuur en de uitspraken van de ouderen in het kwalitatief interviewonderzoek scande. De literatuurstudie (Chapter 2) en de interviewstudie (Chapter 3, 4 en 5) worden uitvoerig en helder beschreven, en in een laatste hoofdstuk goed samengevat en bediscussieerd (Chapter 6).

De idee dat ouderen zich op een passieve wijze verhouden tot het medium televisie werd reeds twintig jaar geleden, mede gebaseerd op empirisch onderzoek, als een stereotype visie bestempeld. K. Reid (1989) verwees naar haar onderzoek samen met G. O’Keefe dat aantoonde dat “de oudere generatie een zeer diverse groep is met eclectische mediabehoeften en gebruikspatronen”. De televisie blijkt een venster op de wereld te zijn en tegemoet te komen aan veel soorten interesses en behoeften. En vooral: het draagt bij tot een gevoel van betrokkenheid op de wereld, het bezorgt ontspanning, informatie en tijdverdrijf. Veel onderzoek waar van der Goot naar verwijst, echoot de resultaten van dit en zelfs nog ouder onderzoek, maar suggereert tevens de behoefte aan diepgaander onderzoek naar de gevarieerde rol van de televisie in het leven van oudere mensen. Gewapend met de levenslooppsychologische concepten selectie en optimalisatiecompensatie, en continuïteit en verandering, kan de auteur een licht werpen op de ervaring en betekenis van het televisiekijken voor ouderen. Televisiekijken krijgt betekenis tegen de achtergrond van: een palet van activiteiten, de sociale context van het streven naar verbondenheid met mensen dichtbij (partner, kleinkinderen, vrienden) en de betrokkenheid op de maatschappij, en de voorkeuren voor inhouden die aan specifieke noden tegemoet komen (geïnformeerd zijn, iets leren, zich amuseren). De interviews met zesentachtig 65-plussers, mannen en vrouwen die alleen wonen of met een partner, leveren overvloedig illustraties van de diversiteit in deze drie thema’s. Daarenboven blijkt uit de interviewtranscripten dat (a) met het ouder worden de betekenis van het televisiekijken in termen van de drie themakarakteristieken stabiel kan blijven of veranderen in functie van wat het verouderingsproces met zich meebrengt, en (b) televisiekijken kan functioneren zowel in de selectie- als in de compensatiestrategieën waardoor ouderen – trouwens net als jongeren – vorm geven aan hun leven.

Een centrale conclusie van het onderzoek – vanuit een communicatiewetenschappelijk gezichtspunt – is dat nagaan hoeveel tijd mensen dagelijks voor de buis doorbrengen en aan welke programma’s zij de voorkeur geven niets zegt over de rol en de betekenis van het televisiekijken in hun leven. Eigenlijk was deze stelling van aanvang af richtinggevend voor de planning en de aanpak van het empirisch onderzoek. De deelnemers werden op hun vermogen tot reflectie, terugblikken en zingeving aangesproken. Ze komen uit de interviews dan ook naar voren als rationele beslissers die hun televisieprogramma’s uitkiezen. Maar zijn ze dat ook wat betreft het al of niet televisiekijken? Velen kiezen wel voor bepaalde programma’s als de televisie aanstaat, maar kiezen ze ook in alle vrijheid om al of niet de televisie aan te zetten? Daarover vernemen we niet veel. De deelnemers rapporteren vooral over hun met het ouder worden toegenomen vrijheid tot beslissen. Slechts tweemaal is er sprake van verslaafdheid, respectievelijk aan soaps en nieuwsprogramma’s. Sommigen verwijzen ook naar mogelijke schuldgevoelens als ze televisiekijken zouden verkiezen boven andere meer actieve en nuttige bezigheden. Ik denk dat door de vragen die gesteld werden de “waarheidsgetrouwe” rapportering van latente gevoelens van onvrede met een bovenmatige televisiegebondenheid bemoeilijkt werd. Ik vind het ook vreemd dat niemand zou getuigd hebben over het in slaap vallen voor de televisie. Dit brengt mij bij de fenomenen “flow”, autotelische activiteit en optimale ervaring (Csikszentmihalyi, 1988) die de congruentie veronderstellen tussen het hoogste niveau van vaardigheden waarover de persoon beschikt en de hoge moeilijkheidsgraad van de uitdagingen in de situatie. Een dergelijke optimale toestand resulteert in tevredenheid en welbevinden. Als waargenomen vaardigheden en taken (uitdagingen) zich beiden op een laag niveau bevinden, resulteert dat in een toestand van apathie. Wie meer aankan en wenst dan de situatie aan mogelijkheden biedt, verveelt zich. Door deze conceptuele bril – en ook die van andere theorieën – kijken naar de motivatie voor televisiekijken en andere vrijetijdsactiviteiten van ouderen lijkt mij zeer leerzaam (zie: Hills, Argyle & Reeves, 2000). Geldt voor ouderen ook dat ze “hoge niveaus van verveling en apathie en lage niveaus van intrinsieke motivatie” ervaren wanneer ze televisiekijken (Massimini & Carli, 1988)? Of is het zoals Kubey en Csikszentmihalyi (1990; cit. in Hills, et al., 2000) suggereren “dat televisiekijken hetzelfde is als luieren en dagdromen; behorend tot de categorie van gemakkelijke activiteiten die vooral dienen om zijn tijd te passeren en slaperig te worden”. Dezelfde auteurs achten het in een discussie van de resultaten van een onderzoek bij werkenden echter wel mogelijk dat “televisie bij kinderen en gepensioneerden een meer actieve betrokkenheid kan uitlokken” (Csikszentmihalyi & Kubey, 1981). De resultaten van het onderzoek van Margot van der Goot lijken inderdaad te suggereren dat ouderen (van vandaag die de kinderjaren van de TV hebben meegemaakt) op een vrij constructieve wijze omgaan met de televisie.

De voorkeuren van de hedendaagse ouderen vertonen sporen van de in de beginperiode van de televisie gevormde smaak en van de spontaan optredende neiging, eigen aan hun leeftijd, terug te blikken op hun leven en de bijzondere historische omstandigheden waarin het zich afspeelde. Nostalgie is een van de centrale gevoelscomplexen die met het televisiekijken van de deelnemers aan dit onderzoek verband houden. De auteur laat dit duidelijk zien en ziet er terecht een belangrijk thema in voor verder onderzoek. Dit laatste geldt ook voor de betekenis van het meeleven met bepaalde televisiepersonages voor de zelfbeleving, het zelfbeeld of de identiteit van de ouder wordende kijker. De televisie als een venster op het verleden levert voor sommige ouderen ongetwijfeld zeer gewaardeerd visueel en auditief materiaal voor de autobiografische arbeid waarmee ze voor zichzelf hun levensloop wensen af te ronden.

Dit onderzoek illustreert hoe mediaonderzoek zijn voordeel kan doen met inzichten en “sensitizing” concepten uit de levenslooppsychologie en psychogerontologie, en hoe dit onderzoek dan onder andere uitloopt op wervende suggesties voor onderzoek dat primair uitgaat van gerontologische interesses. De brede titel van deze dissertatie, “television viewing in the lives of older adults”, kan zeker nog lang een terrein afbakenen van verder diepgaand onderzoek naar de functie en de impact van televisiekijken op de manier waarop de mens in de late volwassenheid vorm geeft aan zijn of haar leven.

Em. Prof. Dr. Alfons Marcoen, Centrum voor Ontwikkelingspsychologie, K.U. Leuven

Literatuurlijst

  1. Csikszentmihalyi, M. (1988). The flow experience and its significance for human psychology. In M. Csikszentmihalyi & I. Segala Csikszentmihalyi (Eds.) (1988). Optimal experience: Psychological studies of flow in consciousness (pp. 15-35). Cambridge: Cambridge University Press.
  2. Csikszentmihalyi M, Kubey R.. Television and the rest of life: A systematic comparison of subjective experience. Public Opinion Quarterly. 1981;45317-328.
  3. Hills P., Argyle M., Reeves R.. Individual differences in leisure satisfactions: An investigation of four theories of leisure motivation. Personality and Individual Differences. 2000;28763-779.
  4. Kubey, R., & Csikszentmihalyi, M. (1990). Television and the quality of life: How viewing shapes everyday experience. Hillsdale, NJ: Erlbaum.
  5. Massimini, F., & Carli, M. (1988). The systematic assessment of flow in daily experience. In M. Csikszentmihalyi & I. Segala Csikszentmihalyi (Eds.) (1988). Optimal experience: Psychological studies of flow in consciousness (pp.266-287). Cambridge: Cambridge University Press.
  6. Reid, K. (1989). Lifeline or leisure?: TV’s role in the lives of the elderly. Media & Values, 45. Zie: http://medialit.org/reading_room/article26.html