127 Weergaven
1 Downloads
Lees verder

Lang FR, Baltes PB, Wagner GG. Desired lifetime and end-of-life desires across adulthood from 20 to 90: A dual-source information model. Journal of Gerontology: PSYCHOLOGICAL SCIENCES, 2007; 62B:P268-P276.

Onderzoeksvragen

Hoe oud wensen mensen te worden? Heeft hun antwoord iets te maken met hun persoonlijke ervaringen en met informatie afkomstig van wetenschappelijk onderzoek? Hoezeer wensen mensen hun eigen sterven en dood onder controle te houden? Hoe hangt de invloed van persoonlijke ervaringen op de wens om een bepaalde leeftijd te bereiken af van wetenschappelijke kennis? Dit zijn de drie centrale vragen waarop de onderzoekers een antwoord zoeken in twee steekproeven met volwassenen in het leeftijdsbereik van 20 tot 90 jaar in Duitsland. Dit is een van de weinige studies die focust op de gewenste levensduur en niet op de verwachte levensduur, en daarbij uitgaat van de veronderstelling dat persoonlijke ervaring en het beschikken over wetenschappelijke en maatschappelijke informatie over het ouder worden vorm geven aan de wens. Tevens verkent ze de gerichtheid op het management van het eigen sterven en het al of niet beschikken over een geschreven wilsbeschikking betreffende beslissingen rond het levenseinde.

Methode

In een eerste studie bestond de onderzoeksgroep uit 1125 volwassenen (van 20 tot 80 jaar oud) die telefonisch werden geïnterviewd over de verlangde levensduur, de geambieerde controle over het eigen sterven, de gezondheidsbeleving en een aantal demografische en persoonsvariabelen. Daarenboven werd de groep in drie verdeeld. Aan de drie subgroepen werd respectievelijk in kort bestek positieve wetenschappelijke informatie met betrekking tot het ouder worden verstrekt, negatief klinkende informatie gegeven, of geen informatie gegeven. In een tweede studie werden 376 volwassenen geïnterviewd. Naast de vragen die ook in de eerste studie aan bod kwamen, werd ook gevraagd naar hoe waarschijnlijk de deelnemers het vonden dat ze de verhoopte leeftijd zouden bereiken, en hoe wenselijk ze het nog zouden vinden die leeftijd te bereiken als ze door gezondheidsproblemen hulp zouden nodig hebben. Verder werd nagegaan of de respondenten over een ondertekend legaal document beschikten met hun wilsbeschikking over medische behandelingen in geval van ernstige verwondingen of ziekte (living will) en of ze geïnteresseerd waren in wetenschap en technologie.

Resultaten

Het onderzoek leverde soms verrassende resultaten op. Alle onderzoeks(sub)groepen reveleerden een gemiddelde gewenste levensduur van 85 jaar. Slechts 15 à 17 % van de deelnemers zouden graag langer dan 90 jaar leven. De in twee subgroepen verstrekte optimistische, respectievelijk, pessimistische gerontologische informatie had daar geen effect op. Wel was het zo dat in de slecht nieuws groep een grotere mate van voorkeur voor de verbetering van de kwaliteit van leven boven langer leven samenhing met de wens om zijn eigen sterven te beheren. De correlaties tussen de leeftijd van de respondenten en de gewenste levensduur waren significant maar laag in beide studies. De 65-plussers verlangden in vergelijking met de andere groepen wel nog wat langer te leven. Respondenten die vonden dat ze goed gezond waren toonden ook een grotere voorkeur voor langer leven. Mannen wensten langer te leven (studie 1), grotere levenstevredenheid was gerelateerd aan langer willen leven (studie 2), respondenten die levenskwaliteit boven levensduur stelden verlangden naar een levensduur die 3 à 4 jaar korter was (studie 1). Ook bleek dat volwassenen die in vergelijking met anderen langer wensten te leven de kans dat ze die verlangde leeftijd zouden bereiken lager schatten (studie 2). Respondenten met wetenschappelijke interesses waren geneigd langer te willen leven maar realiseerden zich tegelijkertijd meer dat hun wens wel geen werkelijkheid zou worden (studie 2).

De onderzoekers observeerden bij meer dan 75% van de deelnemers aan studie 1 een uitgesproken verlangen naar zelfbeschikking en controle over het einde van hun leven. In studie 2 bleken 11% van de deelnemers de drang naar zelfbeschikking vertaald te hebben in een geschreven living will. In beide studies was er geen relatie met de leeftijd. In studie 1 hadden mannen een minder uitgesproken verlangen om de regie over hun levenseinde in eigen handen te houden en de voorkeur voor levenskwaliteit boven levensduur ging gepaard met een groter verlangen naar zelfbeschikking over sterven en dood. In studie 2 hadden de respondenten die het overlijden van een ouder hadden meegemaakt meer kans van ook al over een living will te beschikken.

Discussie

De auteurs noteren drie opvallende resultaten: de vrij bescheiden verlangde levenduur (85 jaar), het relatief sterke verlangen naar zelfbeschikking met betrekking tot beslissingen over sterven en dood, en de relatief lage impact van wetenschappelijke informatiebronnen op het ouder worden. Volwassenen oriënteren zich vooral aan hun eigen gezondheidstoestand wanneer ze zich een idee vormen over hoe oud ze zouden willen worden, en niet aan wetenschappelijke informatie. Mensen willen wel wat langer leven zolang ze er echter niet teveel levenskwaliteit bij inschieten. De nog vrij gezonde derde leeftijd doet uitkijken naar nog langer een kwaliteitsvol leven leiden, maar de vierde leeftijd, gekenmerkt door een tanende gezondheid en allerlei ongemakken, tempert het verlangen naar een lang leven. De kwaliteit van leven wordt dan nog meer een belangrijk criterium voor de levenswil en de reflectie over het wanneer en hoe van het sterven dringt zich op.

Nabeschouwing

De auteurs houden zelf hun onderzoek kritisch tegen het licht en geven richtingen aan voor verder onderzoek naar hoe lang mensen graag zouden leven en welke invloed resultaten van het wetenschappelijk onderzoek op dit verlangen hebben. Dit onderzoek bevestigt de observatie in het dagelijkse leven van velen, namelijk, dat een lang leven gehad hebben vandaag niet meer per definitie gedefinieerd wordt als het bereikt hebben van een gezegende leeftijd. De zegen zit niet in het aantal jaren maar in de gezondheid en de huidige en te verwachten levenscondities. Het zullen niet alleen persoonskenmerken en wetenschappelijk gerontologisch nieuws zijn die iemand zullen doen uitkijken naar meer levensjaren, maar ook wat de samenleving laat zien aan ondersteuning en zorg die kwetsbare (oude) mensen in hun identiteit en waarde bevestigt.

A. Marcoen