176 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Gopie, N., Craik, F.I.M. & Hasher, L. (2010). Destination memory impairment in older people. Psychology and Aging, 25, 922-928.

Conclusie van het artikel

Oudere volwassenen vergisten zich vaker dan jongere deelnemers wanneer zij zich probeerden te herinneren met welke mededeling een bekend personage zich tot hen had gericht, ook al was de herkenning van de personen of de meegedeelde feiten zelf niet verminderd. De prestaties van het bestemmingsgeheugen (onthouden wat je aan wie hebt verteld) verschilden tussen de twee onderzochte leeftijdsgroepen meer dan die van het geheugen voor de bron van bepaalde informatie (onthouden van wie je eerder een bepaalde mededeling hoorde).

Bespreking van de studie

Deelnemers aan het onderzoek werd gevraagd om een of ander feit (bijvoorbeeld: ‘wist u dat een mens gemiddeld twaalf minuten nodig heeft om in slaap te vallen?’) te vertellen aan een publiek bekende persoonlijkheid (bijvoorbeeld: Oprah Winfrey), van wie het gezicht op een computerscherm zichtbaar was. Vijftig ‘weetjes’ werden gekoppeld aan even zoveel verschillende personen. De deelnemers wisten niet dat hun geheugen voor deze combinaties zou worden getest. Dat gebeurde aan het eind van de presentatie door hen veertig combinaties te tonen van een gezicht met daaronder een mededeling over een bepaald feit. Het betrof dezelfde gezichten en feiten als zij eerder hadden gezien, maar de combinatie ‘gezicht-feit’ was in de helft van de gevallen nieuw en in de andere helft gelijk aan de combinaties in de presentatiefase. ‘Oude’ en ‘nieuwe’ combinaties wisselden elkaar in willekeurige volgorde af. Van de deelnemers werd gevraagd om van elke combinatie aan te geven of dit de persoon was aan wie zij de genoemde mededeling hadden gedaan, of dat de combinatie van gezicht en mededeling nieuw voor hen was. De herinnering voor de gebruikte items (gezichten en feiten) werd onderzocht met een herkenningstest voor twintig gezichten en twintig feiten (waaronder de helft nieuw, de andere helft eerder getoond). In een nieuw experiment, met andere deelnemers, werd het brongeheugen onderzocht. Daartoe werd de opzet van het experiment iets gewijzigd: eerst werd het gezicht van een bekende persoonlijkheid getoond en daarna een feitelijke mededeling die zogenaamd van de afgebeelde persoon afkomstig was.

Deelnemers

Twee keer twintig oudere en evenveel jongere volwassenen participeerden in de twee studies. De oudere deelnemers (vrijwilligers, vrij van een cognitieve stoornis) waren tussen 60 en 83 jaar, de jongere (studenten aan de universiteit van Toronto) tussen 18 en 30 jaar.

Resultaten

Voor oudere deelnemers was het succespercentage (aantal treffers verminderd met fout positieven) voor het bestemmingsgeheugen 25%. Het vermogen om eerder getoonde gezichten te onderscheiden van ‘nieuwe’ gezichten lag op 77%, en het onderscheidend vermogen voor al dan niet eerder gepresenteerde feiten lag op 92%. Het is kennelijk moeilijker om de precieze combinatie ‘aan wie heb ik wat verteld’ te onthouden dan om te onthouden welke personen en welke feiten aan bod zijn gekomen. Een vergelijkbare discrepantie tussen behoud van itemgeheugen en verlies van geheugen voor een specifieke associatie werd gevonden wanneer het brongeheugen onderwerp van onderzoek was. Het succespercentage was 50% wanneer oudere deelnemers probeerden te onthouden van wie zij een bepaald feit hadden vernomen (in vergelijking met 86% intacte herkenning van gezichten en 80% intacte herkenning van feiten). Onthouden aan wie je iets hebt verteld is kennelijk moeilijker dan onthouden van wie je iets hebt vernomen. Dat gold overigens ook voor de jongere deelnemers: hun succespercentage voor bestemmingsgeheugen was 46%, voor brongeheugen 60%. Een eventueel probleem met het bestemmingsgeheugen kwam bij de oudere deelnemers nog markanter naar voren omdat zij zich vaker dan jongere volwassenen ‘zeer zeker’ van hun zaak voelden wanneer zij meenden dat zij een bepaald feit niet aan de afgebeelde persoon hadden verteld, terwijl het tegendeel waar was.

Commentaar

Het onderzoek laat zien dat onbetrouwbaarheid van bestemmingsgeheugen en brongeheugen niet alleen oudere maar ook jongere volwassenen parten kan spelen. Het is bovendien onjuist om een falend bestemmings- of brongeheugen te zien als een symptoom van dementie, daarvoor is het verschijnsel niet specifiek genoeg. In de intermenselijke communicatie kan een falend bestemmingsgeheugen voor verlegenheid zorgen wanneer de een van de ander moet horen: ‘dat heb je me al verteld’. Wie een dergelijk verwijt te horen krijgt mag echter bedenken dat de ander in het voordeel is, omdat die alleen maar zijn brongeheugen hoeft te raadplegen, dat volgens het hier besproken onderzoek betrouwbaarder is dan het bestemmingsgeheugen.