181 Weergaven
2 Downloads
Lees verder

‘Passende activiteiten’ essentieel voor verpleeghuisbewoners met dementie

Er is steeds meer aandacht voor het potentiële effect van dagelijkse bezigheden en betrokkenheid in activiteiten op het welbevinden van mensen met dementie die in zorgvoorzieningen wonen. Uit onderzoek blijkt echter steeds weer dat deze mensen zeer weinig gestimuleerd worden. Deze tegenstrijdigheid vormde het uitgangspunt voor het promotieonderzoek van gezondheidswetenschapper en gerontoloog Dieneke Smit, 33 jr.

Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat niet de medische behandeling maar het psychologisch welbevinden van bewoners centraal moet staan in de geboden zorg en begeleiding van mensen met dementie in woonzorgvoorzieningen. Psychologisch welbevinden (een positieve stemming, tevredenheid, geluk, blijheid) wordt beschouwd als de belangrijkste component van kwaliteit van leven. Belangrijk is de menselijke basisbehoefte om een betekenisvol leven te leiden of een betekenisvolle daginvulling te hebben. Mensen met dementie zijn steeds minder goed in staat om deze behoefte zelf te vervullen. Zij worden afhankelijk van de sociale omgeving om hen in dagelijkse bezigheden of activiteiten te betrekken. Dieneke Smit onderzocht de relatie tussen de betrokkenheid in activiteiten en de kwaliteit van leven van mensen met dementie in woonzorgvoorzieningen. Ook bestudeerde zij de invloed van de zorgomgeving op het aanbieden van activiteiten. De betrokkenheid in activiteiten hangt samen met een hogere kwaliteit van leven van bewoners, ook bij mensen met zeer ernstige dementie, blijkt uit haar onderzoek. Woonzorgvoorzieningen lijken echter maar beperkt in staat om bewoners in activiteiten te betrekken. Dit zou moeten veranderen volgens Smit. Vaak wordt gedacht dat dit een kwestie van geld is. Best practices laten echter zien dat voldoende aandacht voor activiteiten en betekenisvolle bezigheden nu al mogelijk is, binnen de beschikbare budgetten. Het is van belang om activiteiten als onderdeel van de basiszorg te beschouwen en verzorgenden te leren hoe zij passende activiteiten kunnen aanbieden aan bewoners tijdens gewone zorg.

Het onderzoek laat zien dat een kleinschalige omgeving het doen van activiteiten vergemakkelijkt, maar ook dat minder activiteiten worden aangeboden wanneer verzorgenden veel werkdruk ervaren.

Volgens Smit is het tijd dat zorgvoorzieningen erkennen dat geld niet de enige oorzaak van het probleem is en verantwoordelijkheid nemen voor het activeren van hun bewoners.

Proefschrift Seize the day! Activity involvement and wellbeing of people with dementia living in care homes, Vrije Universiteit Amsterdam, 23 februari 2018, 202 p, ISBN 978 94 6299 855 1. Promotor was prof. dr. A.M. Pot.

Depressie bij ouderen presenteert zich anders en kent een ongunstiger beloop

Depressie is een ernstige psychiatrische stoornis met een grote ziektelast. Bovendien vergroot een depressie de kans op het ontstaan van niet-psychiatrische chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, hoge bloeddruk, beroertes, overgewicht en zelfs vroegtijdig overlijden. Er zijn aanwijzingen dat depressie zich op latere leeftijd anders presenteert, andere oorzaken heeft en een ander beloop heeft dan bij mensen met een depressie op jongere leeftijd. Nu de levensverwachting steeds hoger wordt en er meer ouderen zijn, is het belangrijk om de preventie, diagnose en behandeling van depressie goed te laten aansluiten op ieders levensfase. Pedagoog/onderzoeker Roxanne Schaakxs, 30 jr, onderzocht de relatie tussen depressie en twee soorten leeftijd: chronologische leeftijd (zie geboortedatum) en biologische leeftijd. Biologische leeftijd kan worden gerepresenteerd door telomeerlengte. Telomeren zijn de uiteinden van onze chromosomen en hebben als functie ons DNA te beschermen tegen beschadiging. Zij worden korter naarmate men ouder wordt. Kortere telomeerlengte wordt gezien als een risicofactor voor een slechte gezondheid. Voor beide vormen van leeftijd heeft Schaakxs onderzocht of er een verband is tussen leeftijd en kenmerken van depressie, risicofactoren voor depressie en het beloop van depressie. Mensen met en zonder depressie tussen de 18 en 93 jaar werden in deze studie geïncludeerd, waardoor verschillen tussen leeftijdsgroepen goed konden worden bestudeerd. Het gaat om deelnemers aan de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) en de Nederlandse Studie naar Depressie bij Ouderen (NESDO).

Uit het onderzoek komen twee duidelijke conclusies. Allereerst wordt duidelijk dat depressie bij een hogere chronologische leeftijd zich vaker dan op jonge leeftijd kenmerkt door somatische symptomen zoals slaapproblemen en pijn, en minder door stemmingsproblemen zoals angstgevoelens. Gezondheidsproblemen (een hoog BMI, pijn en chronische ziekten) komen bij ouderen met een depressie vaak voor, maar zijn nog sterker gerelateerd aan depressie bij jongere volwassenen. Het beloop van depressie gedurende twee jaar bleek vanuit verschillende perspectieven ongunstiger te worden bij toenemende chronologische leeftijd. Biologische leeftijd lijkt geen rol te spelen bij de kenmerken, oorzaken en het beloop van depressie bij ouderen.

Oudere en jongere volwassenen krijgen op dit moment een vergelijkbare diagnostiek en behandeling, maar de resultaten van dit proefschrift vragen om een andere aanpak en bij ouderen alerter te zijn op lichamelijke klachten als symptomen van depressie.

Proefschrift Major depressive disorder across the life span. The role of chronological and biological age, Vrije Universiteit Amsterdam, 22 februari 2018, 172 p, ISBN 978 94 6299 819 3. Promotores waren prof. dr. B.W.J.H. Penninx en prof. dr. A.T.F. Beekman.

Systematische activeringsmethode bij ouderen met ernstige depressie nog niet succesvol

Het toepassen van gedragsactivatie bij opgenomen depressieve ouderen door verpleegkundigen in een klinische setting lijkt niet effectiever te zijn dan de gebruikelijke zorg constateert verplegingswetenschapper Frans Clignet, 53 jr, na zijn promotieonderzoek.

Eén tot vijf procent van de mensen boven de 55 à 60 jaar wordt getroffen door een ernstige depressie, met een grote impact op hun dagelijks functioneren. Er is dus grote behoefte aan doeltreffende en toegankelijke behandelingen zoals gedragsactivatie. Hierbij leren depressieve mensen dat het ondernemen van positieve activiteiten een gunstig effect heeft op je stemming (‘doe iets leuks en je wordt vrolijk’). Clignet paste deze behandelmethode aan tot een verpleegkundige interventie die hij de Systematische Activeringsmethode (SAM) noemde.

Clignet voerde zijn studie uit op 10 afdelingen: 5 experimentele, met toepassing van de SAM, en 5 controleafdelingen. Er zijn uiteindelijk 55 patiënten geïncludeerd (n = 30 bij de experimentele groep en n = 25 bij de controlegroep), maar de resultaten verschilden niet significant. Dit betekent dat de SAM geen additioneel effect lijkt te hebben op het verbeteren van een depressieve stoornis ten opzichte van de gebruikelijke zorgverlening.

Ook voerde hij een evaluatiestudie uit bij twaalf verpleegkundigen die de SAM toepasten bij deze patiënten. Hier kwam uit naar voren dat het de verpleegkundigen erg veel moeite kostte om de patiënten te motiveren en dat ze te veel aandacht moesten schenken aan de overige werkzaamheden op de afdeling. De toepassing van de SAM bleek gecompliceerder dan aanvankelijk verwacht. Het investeren in scholing en supervisie om de competenties van verpleegkundigen – onder meer op het gebied van motiverende strategieën- verder te ontwikkelen zal naar verwachting bijdragen aan een betere implementatie en daarmee aan een grotere effectiviteit van de interventie.

Proefschrift The Systematic Activation Method. A nursing intervention study for patients with late life depression, Vrije Universiteit Amsterdam, 23 februari 2018, 174 p, ISBN 978 94 9280 120 3. Promotores waren prof. dr. A. van Straten en prof. dr. B. van Meijel.

Proactieve zorgplanning moet standaard zijn bij levensbeperkende ziekte

Proactieve zorgplanning (Advance Care Planning, ACP) is noodzakelijk om in de laatste levensfase zorg te verlenen die in overeenstemming is met de wensen van de patiënt. Het stelt mensen in staat om doelen en voorkeuren voor toekomstige medische zorg en behandeling te bepalen, deze te bespreken met naasten en zorgverleners, ze vast te leggen en indien nodig tussentijds te herzien. ACP is een belangrijke voorwaarde voor kwalitatief hoogwaardige palliatieve zorg bij patiënten met levensbeperkende ziekten zoals chronisch hartfalen, chronisch nierfalen en chronische obstructieve longziekten (COPD). Hoewel de aandacht voor deze zorgplanning het laatste decennium is toegenomen, wordt het nog maar weinig toegepast in de klinische praktijk. Medisch psycholoog Carmen Houben, 29 jr, tracht meer inzicht te krijgen in het proces van ACP en onderzoekt of en hoe een proactieve zorgplanning-interventie geleid door een verpleegkundige, uitkomsten voor patiënten met COPD en hun naasten kan verbeteren.

Duidelijk wordt dat ACP een continu proces van communicatie is tussen patiënt, naasten en gezondheidszorgprofessionals. Dit proces dient te starten op het juiste moment tijdens het ziektetraject en moet worden aangepast aan de individuele behoeften van de patiënt en zijn naasten.

Communicatie over de zorg rond het levenseinde in populaire medische televisiedrama’s is ook onderzocht. De conclusie is dat gezondheidszorgprofessionals in deze programma’s (bijvoorbeeld Grey’s Anatomy) met patiënten of naasten praten over het levenseinde. Onderwerpen die belangrijk zijn voor patiënten in het echte leven, zoals bijvoorbeeld palliatieve zorg, werden vaak niet besproken.

Een eenmalige sessie ACP door een getrainde verpleegkundige verbeterde de communicatie over zorg rondom het levenseinde tussen longartsen en patiënten met COPD en gaf geen extra stress in de vorm van angst of depressie, ook niet bij de naasten. Aanbevolen wordt deze interventie te implementeren in de reguliere klinische zorg.

Proefschrift Advance care planning in life-limiting illnesses, Universiteit Maastricht, 9 maart 2018, 195 p, ISBN 978 94 6159 800 4. Promotores waren prof. dr. E.F.M. Wouters en prof. dr. M.A. Spruit.

Biomarkers in het hersenvocht voorspellen achteruitgang in cognitief functioneren

Door de vergrijzing blijft het aantal mensen met de ziekte van Alzheimer (AD) toenemen. Er is nog geen effectief medicijn, maar inmiddels kunnen we de ontwikkeling van AD al in-vivo bestuderen door middel van biomarkers die een weerspiegeling geven van AD-gerelateerde veranderingen in het brein. Neuropsycholoog Babette Reijs, 32 jr, onderzocht de associaties tussen in-vivo bestaande en opkomende biomarkers en risicofactoren voor AD en achteruitgang in cognitie over het brede klinische spectrum van AD, beginnend van preklinisch tot een milde vorm van dementie.

Uit haar onderzoek blijkt dat het eiwit tau in het hersenvocht een betere voorspeller is van achteruitgang in cognitief functioneren dan amyloïde: Lagere scores op het episodisch geheugen en globale cognitie werden bij mensen met milde cognitieve beperkingen (MCI) en abnormale waardes van beide biomarkers gevonden, maar cognitieve achteruitgang alleen bij mensen met abnormaal tau.

De klinische waarde van geurtesten voor het voorspellen van alzheimerpathologie blijkt in het promotieonderzoek beperkt. Levensstijlrisicofactoren waren in dit onderzoek bij mensen met MCI niet geassocieerd met alzheimerbiomarkers of met conversie naar dementie van het alzheimertype.

De promovendus vindt dat vanwege het gebrek aan effectieve medicatie voor alzheimer, bij mensen met MCI de afweging over het al dan niet uitvoeren van hersenvochtonderzoek meer bij de patiënt moet komen te liggen. Ook vindt zij dat toekomstig alzheimeronderzoek niet alleen gericht moet zijn op het voorkomen en genezen van dementie maar ook op betere begeleiding van patiënt en mantelzorger.

Proefschrift Cognitive correlates of cerebrospinal fluid biomarkers for Alzheimer’s disease, Universiteit Maastricht, 21 februari 2018, 186 p, ISBN 978 94 6299 841 4. Promotor was prof. dr. F.R.J. Verhey.

Het netvlies van het oog als biomarker voor vasculaire en neurodegeneratieve hersenziektes

Het afgelopen decennium heeft medische beeldvorming van het netvlies (retina) in toenemende mate een belangrijke rol gespeeld in het bestuderen van vasculaire en neurodegeneratieve hersenaandoeningen als aanvulling op beeldvorming van de hersenen. De bloedvaten in retina en hersenen (hier moeilijk af te beelden), bezitten namelijk vergelijkbare anatomische en fysiologische eigenschappen, waardoor vaatschade in de retina een goede afspiegeling is van vaatschade in de hersenen. Hoge bloeddruk, suikerziekte en roken kunnen leiden tot schade aan de kleine vaten. Deze schade zoals weerspiegeld in de retina is gerelateerd aan schade aan de bloedvaten in de hersenen, wat zich kan uiten in een hoger risico op het krijgen van een beroerte of dementie. Het onderliggende mechanisme van de relatie tussen retinale vaatafwijkingen en hersenafwijkingen is nog onduidelijk.

Naast retinale vaten als marker voor vasculaire hersenaandoeningen bestaat ook de gedachte dat de retinale zenuwlagen (bestaande uit zenuwcellen) kunnen dienen als marker voor neurodegeneratieve hersenaandoeningen. Aangezien de retina zich ontwikkelt uit embryonale zenuwcellen en verbonden is met de hersenen via de oogzenuw, kunnen hersenafwijkingen ten gevolge van vaatschade of verschrompeling van weefsel zich uiten in de retina als verdunning van de zenuwlagen.

Het promotieonderzoek van gezondheidswetenschapper Ünal Mutlu, 28 jr, wil een antwoord vinden op de vraag of schade in de retina (waaronder schade aan de bloedvaten en aan de zenuwlagen) kan worden gebruikt als marker voor vasculaire en neurodegeneratieve hersenaandoeningen.

Bij de verkenning van de associatie van (beschadiging van) de retinale vaten en zenuwlagen met klinische uitkomstmaten concludeert hij dat retinale vaatschade niet geassocieerd is met migraine.

Een dunnere retinale zenuwvezellaag blijkt geassocieerd te zijn met een verhoogd risico op het ontwikkelen van dementie. Deze bevindingen suggereren dat dit een nieuwe marker kan zijn voor dementie, in het bijzonder voor alzheimer.

Veranderingen in de retinale bloedvaten blijken geassocieerd te zijn met een hoger risico op cardiovasculaire en niet-cardiovasculaire sterfte over meer dan twintig jaar. Uit deze studie blijkt dat wijdere venulen (kleine aders) in relatief jongere personen en in rokers geassocieerd zijn met een hoger risico op sterfte.

Proefschrift The retina as a biomarker for vascular and neurodegenerative brain diseases, Erasmus Universiteit Rotterdam, 11 april 2018, 233 p, ISBN 978 94 6233 891 3. Promotores waren prof. dr. M.A. Ikram en prof. dr. C.C.W. Klaver.

Gezonde voeding verlaagt het risico op maculadegeneratie

Leeftijdsgebonden macula-degeneratie (LMD) is de meest voorkomende oorzaak van slechtziendheid bij ouderen in de Westerse wereld. LMD wordt gekenmerkt door drusen (ophopingen van kalk), pigmentveranderingen, verdunning van het netvlies en vorming van nieuwe bloedvaten (choroïdale neovascularisaties, bloedvatwoekering), waardoor de normale anatomie van de macula, het centrale deel van het netvlies, verloren gaat. De eerste twee kenmerken zijn de karakteristieken voor vroege LMD en de laatste twee voor late LMD. Hoewel er meerdere demografische, genetische en omgevingsfactoren gevonden zijn die een rol spelen in het ontstaan van LMD, is de etiologie van LMD nog steeds grotendeels onbekend. Neurowetenschapper/epidemioloog Gabriëlle Buitendijk, vanaf 2014 werkzaam op de afdeling Oogheelkunde EURmc, deed nader (promotie)onderzoek naar onder andere voorkomen en gevolgen van LMD, beeldvormende technieken bij de diagnose, omgevingsfactoren en genetische testen.

Hoewel de leeftijdsspecifieke frequentie van late LMD na 2006 afnam, waarschijnlijk door verbeterde diagnostische technieken en behandeling van bloedvat nieuwvormingen in het netvlies, zal het aantal aangedane ouderen met LMD in Europa toenemen tot 19 à 26 miljoen in totaal in 2040.

Binnen het kader van onderzoek naar risicofactoren voor LMD zijn diverse voedingsstoffen onderzocht en het bleek dat met name carotenoïden, zink en omega-3 vetzuren geassocieerd zijn met een lager risico op LMD. De in Nederland aanbevolen inname van tenminste 200 gram groente en 2 stuks fruit per dag, en twee keer per week vis, kan het risico op LMD met 42 % verminderen. Echter slechts 3,5 % van de ouderen in de studiepopulatie (Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek, ERGO) behaalde de geadviseerde minimale inname.

Ander onderzoek suggereert een rol voor schildklierhormoon in de pathogenese van LMD. Hogere waarden van dit hormoon, zelfs binnen de normaalwaarden zijn geassocieerd met een verhoogd risico op LMD.

In het onderzoek worden zeven nieuwe genetische varianten geïdentificeerd voor LMD en uiteindelijk worden predictie en persoonlijke DNA-testen besproken. Het volledige predictiemodel, inclusief leeftijd, geslacht, 26 genetische risicovarianten, roken, body mass index en het LMD fenotype blijkt de beste voorspellende waarde te hebben. Dit model kan met 87 % zekerheid onderscheid maken tussen degenen die wel of niet een eindstadium LMD zullen ontwikkelen. Commerciële persoonlijke DNA-testen voor LMD op internet zijn op dit moment niet geschikt voor klinische toepassingen omdat de risicovoorspellingen niet nauwkeurig genoeg zijn.

Proefschrift Age-related Macular Degeneration: from risk profiles towards prediction models, Erasmus Universiteit Rotterdam, 28 maart 2018, 287 p, ISBN 978 94 6299 856 8. Promotores waren prof. dr. C.C.W. Klaver en prof. dr. J.R. Vingerling.

Tineke Fokkema nieuwe hoogleraar “Ageing, Families and Migration”

Tineke Fokkema is benoemd tot bijzonder hoogleraar “Ageing, Families and Migration” bij de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSBS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). De leerstoel die Tineke Fokkema betrekt, is de eerste leerstoel in Nederland die zich richt op de diversiteit aan oudere migranten. Hierbij is er speciale aandacht voor vraagstukken binnen het sociale en welzijnsdomein. Zo wordt er gekeken naar eenzaamheid en de effecten van migratie op relaties, zowel binnen het gezin als met achtergebleven familieleden in het herkomstland.

Oudere migranten verschillen onderling in herkomst- en vestigingsland, migratiemotief en verblijfsduur. Ook hun opleiding, arbeidsgeschiedenis, religie, taalvaardigheid, en de mate van verbondenheid met de eigen etnische groep en cultuur kunnen anders zijn. De leerstoel bestudeert op welke manier deze verschillen onder oudere migranten van invloed zijn op de mate en vorm van eenzaamheid en sociaal isolement. Ook wordt er gekeken in hoeverre bepaalde factoren juist tegenwicht bieden aan sociale kwetsbaarheid. Verder komen binnen de leerstoel vragen aan de orde als: leidt migratie tot meer of minder intergenerationele solidariteit en zijn de ouder-kindrelaties hechter naarmate migrantenfamilies in cultureel opzicht op grotere afstand van de dominante samenleving staan?

Prof. dr. Tineke Fokkema studeerde in 1990 af in de economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In 1996 promoveerde zij aan dezelfde universiteit op een onderzoek naar verhuisgedrag van ouderen in Nederland. Sinds 1997 is zij als onderzoeker werkzaam bij het NIDI op het gebied van succesvol ouder worden. Ook is ze lid van het onderzoeksteam Families in Context en redactievoorzitter en domeinredacteur van het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie.

De bijzondere leerstoel is ingesteld door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).