99 Weergaven
2 Downloads
Lees verder

Mensen met dementie in de huisartspraktijk, probleemgedrag en mantelzorgers

De meeste mensen met dementie wonen thuis en worden begeleid door hun huisarts. Tijdens het beloop van hun ziekte ontwikkelen de meeste mensen probleemgedrag, dikwijls omschreven als neuropsychiatrische symptomen (NPS). Vaak worden hierbij psychofarmaca voorgeschreven die ernstige bijwerkingen kunnen geven. Deze symptomen zijn ook van invloed op de ervaren psychologische belasting van hun mantelzorgers. Bijna alle onderzoeken naar het beloop van NPS bij thuiswonende mensen met dementie zijn uitgevoerd bij deze ambulante patiënten van geheugenpoli’s, (ouderen)psychiatrische, neurologische of geriatrische centra of andere gespecialiseerde centra voor dementie.

Er wordt echter slechts een klein gedeelte van de patiënten met dementie uit de huisartspraktijk doorverwezen naar deze centra. Specialist ouderengeneeskunde Petra Borsje, 46 jr,  vraagt om reeds binnen de huisartspraktijk meer aandacht te besteden aan NPS en het gebruik van psychofarmaca: om de bewustwording hiervan te vergroten en om op tijd adequate zorg te kunnen inzetten. En ook om de psychologische belasting van mantelzorgers in dit verband te onderzoeken.

Het blijkt dat neuropsychiatrische symptomen vaak voorkomen bij mensen met dementie in de huisartspraktijk. Ten minste 66 % van hen hadden één of meer klinisch relevante symptomen. In dit promotieonderzoek werden de neuropsychiatrische symptomen onderverdeeld in subgroepen. Het merendeel van de patiënten liet tenminste één symptoom zien in de subgroep stemming/apathie en in de subgroep hyperactiviteit (72 versus 75 %) tijdens het onderzoek. De klinisch relevante symptomen doelloos repetitief gedrag, apathie en agitatie/agressie, kwamen in 59, 51 en 46 % van de gevallen voor tijdens de 18 maanden van het onderzoek. Van de patiënten gebruikten 53 % psychofarmaca inclusief medicijnen tegen dementie.

Hun mantelzorgers bleken een hoog risico op depressie te hebben en bij 41 % van hen was het waarschijnlijk dat ze psychologische symptomen hadden.

Geconcludeerd wordt dat er verband bestaat tussen de mate van neurologische symptomen bij de patiënt en de ervaren psychologische belasting bij de mantelzorger. Vrouwelijke mantelzorgers, mantelzorgers in de leeftijd van vijftig tot zeventig jaar en echtgenoten/partners hadden een hogere psychologische belasting. De ervaren psychologische belasting nam af wanneer hun patiënt tijdens het onderzoek werd opgenomen in een zorginstelling.

Huisartsen moeten alert zijn op de aanwezigheid van neuropsychiatrische symptomen bij mensen met dementie en op de psychologische belasting hierdoor bij de mantelzorgers. Deze moeten actief worden opgespoord om op tijd adequate professionele zorg te kunnen inzetten.

Proefschrift Dementia related problems in primary care of greatest concern. The occurence and course of neuropsychiatric symptoms in people with dementia and psychological distress in their informal caregivers, Radboud Universiteit Nijmegen, 28 mei 2019, 170 p, ISBN 978 94 6361 261 6. Promotores waren prof. dr. R.T.C.M. Koopmans en prof. dr. A.M. Pot.

Meer aandacht voor revalidatie van oudere patiënten met COPD

Veel ouderen lijden aan COPD, Chronic Obstructive Pulmonary Disease, chronische  en meestal progressieve  luchtwegobstructie die niet volledig reversibel is. De belangrijkste symptomen zijn kortademigheid, hoesten en het opgeven van sputum. Acuut opvlammen van de kwaal leidt tot ziekenhuisopname met vervolgens toch een slechtere kwaliteit van leven en functionele status. Revalidatie zou een stap in de goede richting zijn, maar gebeurt vaak niet vanwege de kwetsbaarheid en de matige belastbaarheid van de oudere patiënt. Mede gezien de beperkte prognose zouden er ook palliatieve zorgaspecten in het revalidatieprogramma moeten worden opgenomen.

Verpleeghuisarts Leonoor van Dam van Isselt, 49 jr, hielp mee bij het opzetten van het ketenprogramma Geriatrische revalidatie voor patiënten met ernstige COPD, opgenomen in het ziekenhuis vanwege een acute exacerbatie, het GR_COPD zorgpad en onderzocht of dit programma haalbaar en effectief is. De uitkomst van haar promotieonderzoek is dat dit ziektespecifiek geriatrisch programma dat revalidatie integreert met palliatieve zorgaspecten, nodig en haalbaar is. Bovendien heeft het zorgpad gunstige effecten op de ziektespecifieke gezondheidsstatus en op de exacerbatiefrequentie. Deze resultaten impliceren dat het GR_COPD zorgpad voor alle patiënten binnen deze specifieke doelgroep beschikbaar zou moeten zijn.

Het in de pilot gebruikte meetinstrument voor de ziektespecifieke gezondheidsstatus, de Clinical COPD Questionnaire (CCQ), een eenvoudige 10-item vragenlijst over symptomen, functionele status en mentale status, kan worden aanbevolen voor de klinische praktijk en onderzoek van geriatrische revalidatie.

Pijn komt veel voor bij patiënten met COPD en heeft belangrijke klinische consequenties. Meer aandacht daarvoor is nodig in praktijk en onderzoek. Specifieke interventies gericht op optimale symptoomcontrole (zoals pijn, vermoeidheid en slapeloosheid) moeten worden ontwikkeld, geëvalueerd en geïmplementeerd, bijvoorbeeld als onderdeel van het GR_COPD zorgpad.

Proefschrift Geriatric Rehabilitation for older patients with COPD. Integration of rehabilitation and palliative care, Universiteit Leiden, 4 april 2019, 198 p, ISBN 978 94 6361 234 0. Promotores waren prof. dr. W.P. Achterberg en prof. dr. N.H. Chavannes.

Betere sociale en economische omstandigheden hebben gezorgd voor minder milde depressies bij ouderen

In 2012 waren bijna twee keer zoveel Nederlanders tussen de 55 en 64 jaar ernstig depressief dan twintig jaar daarvoor. Opvallend genoeg nam het aantal ouderen  met een milde depressies juist met 32 % af ten opzichte van 2002. Psychiater Hans Jeuring, 35 jr, vond in zijn promotieonderzoek een duidelijk verband tussen de toename van ernstige depressies en een verslechtering van de lichamelijke gezondheid. Ook zag hij een verband tussen de afname van milde depressies en de verbeterde sociale en economische omstandigheden van de onderzochte deelnemers. Voor zijn onderzoek zijn drie groepen van elk duizend 55- tot 64-jarigen op dezelfde wijze onderzocht in 1992, 2002 en 2012. Deze mensen, afkomstig uit verschillende regio’s maken deel uit van de LASA-studie (Longitudinal Aging Study Amsterdam).

In 2012 kampten meer mensen met gezondheidsproblemen, zoals het hebben van een chronische ziekte, pijn, slaapproblemen en functionele beperkingen, dan in 1992. Een aantal andere problemen was juist afgenomen: zo hadden minder mensen hart- en vaatziekten, waren er minder rokers en minder mensen voelden zich eenzaam. Mogelijk was het percentage mensen met een ernstige depressie in 2012 nog hoger geweest als deze laatste risicofactoren niet waren gedaald.

Opvallend genoeg was er in 2012 juist een flinke afname van 32 % te zien bij deze ouderen met een lichte depressie ten opzichte van 2002. Jeuring ziet een verband met de verbeterde sociale en economische omstandigheden. Zo waren in 2012 de onderzochte mensen gemiddeld gezien hoger opgeleid en hadden aanzienlijk meer mensen een betaalde baan. Daarnaast was hun netwerk van vrienden, kennissen en familie  groter.

Jeuring meent dat de leeftijdsgroep tussen de 55 en 64 jaar belangrijk is voor preventie. Uit zijn onderzoek blijkt immers dat factoren die te veranderen zijn, invloed hebben op depressies. Investeren in verbetering van sociaaleconomische en psychosociale omstandigheden kan dus ten goede komen aan de geestelijke volksgezondheid. Bovendien laten de resultaten aangaande het ongunstige beloop van depressie bij ouderen op de langere termijn zien dat het extra van belang is om depressie in een vroeg stadium te herkennen en (erger) te voorkomen.

Proefschrift Time trends and long-term outcome of late-life depression: an epidemiological perspective, Vrije Universiteit Amsterdam, 12 april 2019, 182 p, ISBN 978 94 6380 228 4. Promotores waren prof. dr. A.T.F. Beekman en prof. dr. M.L Stek.

Onderzoek naar kwetsbaarheid op latere leeftijd

Onderzoek naar kwetsbaarheid op latere leeftijd focust zich doorgaans op negatieve uitkomstmaten zoals valfrequentie, mortaliteit, hospitalisering, institutionalisering, en niet op welzijn. Toch worden er in gerontologisch onderzoek vaak positieve uitkomstmaten gebruikt zoals mentaal welzijn, sociaal functioneren en succesvol, actief of gezond ouder worden.

Het promotieonderzoek van researcher Daan Duppen, 38 jr, MSc management, care and policy in gerontology, richt zich op positieve uitkomstmaten in kwetsbaarheidsonderzoek. Het tweede deel van zijn proefschrift spitst zich toe op de sociale leefomgeving van ouderen en hoe deze in relatie staat tot kwetsbaarheid.

Binnen het D-SCOPE project (Detection, Support and Care for Older people: Prevention and Empowerment) werden via vragenlijsten verschillende positieve uitkomstmaten van kwetsbaarheid gebruikt, die kwetsbare ouderen zelf belangrijk vinden. De eerste studie toont dit onder andere aan bij een project met 24 uurs zorggarantie aan huis (Zorg24). Dankzij zorgverleners die hen ondersteunen, ervaren de kwetsbare ouderen meer kwaliteit van leven, zingeving, gevoel van regie over hun leven en betrokken zijn in de samenleving.

Een tweede studie ging na of sociaal kwetsbare ouderen een zinvol leven ervaren. Daarvoor werden zeven dimensies van ‘need for meaning’ gebruikt naar het werk van de filosoof Peter Derkx. Deze studie toont aan dat sociaal kwetsbare ouderen ook een tekort aan verbondenheid, doel en samenhang ervaren.

In een laatste studie werd op basis van bestaande meetschalen van positieve uitkomstmaten een verkorte vragenlijst gemaakt: Short Well-being Instrument for Older adults (SWIO). Deze blijkt geschikt om de mate van welzijn te bepalen bij kwetsbare thuiswonende ouderen. Nader onderzoek is nodig om de geschiktheid van de SWIO bij behandelingsresultaten te bepalen.

Wat betreft de relatie russen kwetsbaarheid en sociale omgeving bleken sociale participatie, subjectieve buurtkenmerken zoals buurtcohesie en socio-economische buurtkarakteristieken van belang. De rol van sociale participatie werd in een volgende kwalitatieve studie verder onderzocht. De resultaten tonen aan dat ouderen ondanks hun kwetsbaarheid op verschillende manieren participeren in de samenleving. Een derde studie toont aan dat zowel kwetsbare als niet-kwetsbare ouderen een hoger welzijn ervaren bij een meer leeftijdsvriendelijke buurt. In de laatste studie werd geëxploreerd hoe professionals met een antenneberoep (zoals bakkers, postbodes, apothekers…) kwetsbare ouderen kunnen detecteren en toeleiden naar zorgorganisaties.

Proefschrift Frailty in later life. A focus on the social environment and positive outcomes, Vrije Universiteit Brussel, oktober 2018, 232 p, ISBN 978 90 5718 847 3. Promotor was prof. dr. Liesbeth De Donder.

Ook kwetsbare ouderen hebben sterktes

Kwetsbaarheid bij ouderen kan op veel verschillende manieren tot uiting komen. Er zijn fysieke, cognitieve, psychische en sociale aspecten en soms ook aspecten van de leefomgeving. Daarbij gaat het dus vaak om dingen die mensen niet meer kunnen, terwijl ouderen zelf de voorkeur geven aan een meer positieve aanpak. Een zogenaamde ‘strenghts-based approach’, waarbij getracht wordt inzicht te krijgen in competenties en sterktes, of draagkracht, die mensen hebben, ondanks hun kwetsbaarheid, biedt mogelijkheden om dit veelal negatieve perspectief te veranderen.

Psycholoog/onderzoeker Anne van der Vorst, 27 jr, schreef haar proefschrift met het doel om meer inzicht te krijgen in de relatie tussen de verschillende kwetsbaarheidsdomeinen. En om te onderzoeken of het perspectief van huisartsen en mantelzorgers, gemeten door middel van één vraag per kwetsbaarheidsdomein, kan bijdragen aan het identificeren van ouderen met een verhoogd risico op kwetsbaarheid. Zij probeert om de factoren in kaart te brengen die (positief) bijdragen aan het dagelijks functioneren en welzijn, om zo uiteindelijk te komen tot een ‘strengths-based approach’ met betrekking tot de omgang met kwetsbaarheid.

Samenvattend laat het proefschrift zien dat de associaties tussen de verschillende kwetsbaarheidsdomeinen verschillen al naar gelang de cognitieve status van de onderzoekspopulatie. Ook ontdekte zij dat het globale perspectief van huisartsen en mantelzorgers niet geheel overeenkomt met de mate van kwetsbaarheid zoals ervaren door de thuiswonende ouderen zelf. Het kan echter wel een eerste signaal zijn dat er iets mis is/gaat.

Ook kwetsbare ouderen blijken sterktes te hebben waardoor zij hun kwaliteit van leven als adequaat ervaren.  Zo rapporteerden enkele ouderen uit de hoge Kvl-groep dat zij nog van betekenis konden zijn voor anderen. Deze en andere resultaten van de studie bieden aanknopingspunten om de kwaliteit van leven van ouderen, ondanks hun kwetsbaarheid, te vergroten door in te spelen op specifieke competenties en sterktes. Daarmee draagt dit proefschrift bij aan de verandering van een ‘deficit-based approach’ naar een meer ‘strenghts-based approach’ in kwetsbaarheid.

Proefschrift Towards a strengths-based approach in multidimensional frailty. Conceptualisation and screening of frailty, and contributors to daily functioning, Universiteit Maastricht en Vrije Universiteit Brussel, 6 december 2018, 222p, ISBN 978 94 6375 037 0. Promotores waren prof. dr. J.M.G.A. Schols, prof. dr. G.I.J.M. Kempen en prof. dr. N. De Witte, Brussel.

Migranten van het eerste uur: een verloren generatie op leeftijd?

Oratie over Turkse en Marokkaanse ouderen in Nederland

Op 8 maart 2019 hield prof. dr. Tineke Fokkema haar oratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam bij de openbare aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar ‘Ageing, Families and Migration’ bij de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSB/EUR). Het is de eerste leerstoel in Nederland gericht op de diversiteit aan oudere migranten. Er is speciale aandacht voor eenzaamheid en de effecten van migrataie op relaties, zowel binnen het gezin als met achtergebleven familieleden in het herkomstland. De bijzondere leerstoel is ingesteld door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Zo’n halve eeuw geleden zijn honderden Marokkaanse en Turkse mannen voor werk naar Nederland gekomen. Een deel van hen is volgens plan na een aantal jaren huiswaarts gekeerd. De overigen bleven, lieten veelal hun vrouw en kinderen overkomen, en zijn inmiddels oud geworden.

Lange tijd is in wetenschappelijk onderzoek weinig aandacht besteed aan Marokkaanse en Turkse migrantenouderen, maar door hun hogere leeftijd en toenemende zorgvraag neemt de belangstelling voor deze groeiende groep steeds meer toe.

De focus ligt dan vooral op hun hogere kwetsbaarheid: gemiddeld hebben zij minder te besteden, kampen ze vaker met lichamelijke en psychosociale gezondheidsproblemen en zijn ze slechter gehuisvest dan Nederlandse ouderen zonder migratieachtergrond. Hierdoor worden zij telkens in de slachtofferrol geplaatst. Maar migratie heeft voor hen ook veel positiefs gebracht. Bovendien zijn velen ook in staat om een goede oude dag te beleven.

Daarnaast is er veel aandacht voor de vraag wat de beste vorm van zorg is voor degenen die wel zwaar hulpbehoevend zijn. De dominante norm dat kinderen voor hun ouders zorgen, schuurt in toenemende mate met het drukke werk- en gezinsleven van de huidige generatie mantelzorgers. Naast cultuurspecifieke en multiculturele (woon)zorgvoorzieningen is een versnelling in cultuurverandering nodig bij zowel de reguliere zorginstellingen als bij de ouderen zelf en hun kinderen. Tineke Fokkema pleit voor een keurmerk waaruit blijkt dat zorg- en welzijnsinstellingen een migrantvriendelijk beleid voeren. De vereiste cultuurverandering bij de Marokkaanse en Turkse ouderen en hun kinderen is het erkennen dat mantelzorg niet altijd de enige goede of meest geschikte zorg is.

De (uitgebreide) tekst van de oratie is vastgelegd in een boekje (titel zie kop van dit signalement), 33 p, ISBN 978 90 7528 931 2, uitgever ESSB/EUR.