Samenvatting

Koerner SS, Kenyon DB, Shirai Y. Caregiving for elder relatives: Which caregivers experience personal benefits/gains? Arch Geron Geriat, 2009; 48: 238-245.


75 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Onderzoeksvraag

Zorg verlenen aan bejaarde familieleden is vaak een zware taak die als een last wordt ervaren, maar het kan ook een positieve ervaring zijn en veel voldoening geven. Onderzoek is meestal gericht op de negatief gekleurde gevolgen van zorg verlenen zoals depressie, overbelasting, gezondheidsrisico’s. Minder onderzocht zijn de mogelijke positieve gevolgen zoals: zich nuttig en nodig voelen, nieuwe vaardigheden verwerven, zin ervaren, het gevoel hebben van zijn plicht te vervullen. Negatieve en positieve effecten van het zorg verstrekken kunnen naast elkaar bestaan, en de positieve kunnen een buffer zijn tegen de negatieve. Een vraag die rijst: Welke zorgverleners hebben de meeste kans om voor hun eigen zelfbeeld en welbevinden voordeel en winst te halen uit het zorgen? Is het een kwestie van persoonlijkheid (neuroticisme, extraversie, consciëntieusheid, vriendelijkheid) of spelen interpersoonlijke factoren (bijvoorbeeld waargenomen sociale ondersteuning en kwaliteit van de relatie met de zorgontvanger vóór hij of zij zorgbehoevend werd) ook een rol?

Methode

Drieënzestig verzorgenden (waarvan 46 vrouwen), die minstens gedurende een tiental uren per week hulp en zorg gaven aan een zelfstandig wonend bejaard familielid van minstens 60 jaar oud, vulden een bundel vragenlijsten in bij het begin van het onderzoek en rapporteerden op het einde van tien opeenvolgende dagen in een specifieke 10-item vragenlijst over hun al of niet positieve ervaringen in de zorgverlening (benefits/gains). De vragenbundel betrof de meting van: de ervaring van sociaal-emotionele ondersteuning door de familie en (waar van toepassing) ook door de partner (telkens met acht items), de vier hoger vermelde persoonlijkheidstrekken (aan de hand van telkens vier of vijf adjectieven) en de kwaliteit van de relatie met de zorgontvanger vóór er zorg en hulp verleend werd (met een schaal van 20 items).

Resultaten

Vriendelijkheid en extraversie correleerden positief met de ervaring van winst uit zorg. Neuroticisme en conscientieusheid correleerden (tegen de verwachting in) niet significant met de zorg-winstervaring. Er waren zoals verwacht wel significante positieve correlaties tussen de ervaren emotionele ondersteuning en de kwaliteit van de relatie vóór de zorgverlening begon, enerzijds, en het niveau van de zorg-winstervaring, anderzijds. Uit hiërarchische regressieanalyses met de ervaring van winst uit zorg als afhankelijke variabele bleek van de interpersoonlijke factoren (waarvan effect verwacht werd) alleen de ervaring van sociaal-emotionele steun van de partner, naast de persoonlijkheidstrekken vriendelijkheid en extraversie, nog supplementair variantie te verklaren.

Discussie

De auteurs bespreken zorgvuldig de verkregen resultaten in relatie tot hun hypothesen en door de vergelijking met resultaten van andere onderzoekingen. Vooral het feit dat neuroticisme geen verband hield met de ervaring van winst uit zorg verraste. Dit geldt ook voor de afwezigheid van impact van de kwaliteit van de relatie met de zorgontvanger vóór er zorg werd verleend. Naast goed geformuleerde interpretaties aansluitend bij relevante literatuur wijzen de auteurs ook op een aantal beperkingen van hun onderzoek: de onderzoeksgroep is klein, met de aard en de ernst van de ziekte van zorgontvanger werd geen rekening gehouden, de (misschien niet geheel stabiele) persoonlijkheid van de zorgverstrekker werd slechts op één moment gemeten, misschien zijn er nog andere relevante kenmerken van de persoon (bijvoorbeeld de neiging tot het loochenen van de werkelijkheid als copingmechanisme, vooral relevant in geval van zorg voor een dement familielid), en de persoonlijkheidstrekken van de zorgontvanger werden niet gemeten.

Nabeschouwing

De auteurs beschouwen hun onderzoek als “een unieke bijdrage tot de literatuur over ‘positieve zorgverlening’”. Dit mooi uitgevoerd en goed leesbaar gerapporteerd onderzoek biedt niettegenstaande reële beperkingen inderdaad inspiratie voor verder onderzoek naar de factoren die er toe kunnen bijdragen dat de zorgverlening aan ouderen niet uitsluitend een bron van psychische belasting is maar ook een positief ervaren uitdaging betekent van de veerkracht van de verzorgende en zijn ondersteuning biedende sociale context. Zich oriënterend aan de adjectieven die in het onderzoek gebruikt werden om de persoonlijkheid te meten, kan men zich goed voorstellen dat familiale zorgverstrekkers die van nature hulpvaardig, warm, zorgzaam, zachtaardig, meelevend, hartelijk, vriendelijk, levendig, actief en communicatief zijn, aan de zorg een betekenis weten te geven die het gevaar van overbelast te worden en er onderdoor te gaan countert. Laat deze zorgverleners dan nog een partner hebben die hen vanuit dezelfde spirit ondersteunt, en de basis is aanwezig voor een zorgverlening waar alle betrokkenen wel bij varen. Voortgezet onderzoek moet echter ook het aandeel reveleren van de (persoonlijkheid van) zorgontvangende ouderen in de optimalisering van de zorgcontext die hun zorgverlenende partner, zoon of dochter als positief ervaart.

A. Marcoen